Startinformatie in het strafproces
Einde inhoudsopgave
Startinformatie in het strafproces 2014/6.6:6.6 Samenvatting, bijzonderheden en aanbevelingen voor verbeterde controle
Startinformatie in het strafproces 2014/6.6
6.6 Samenvatting, bijzonderheden en aanbevelingen voor verbeterde controle
Documentgegevens:
mr. dr. S. Brinkhoff, datum 29-09-2014
- Datum
29-09-2014
- Auteur
mr. dr. S. Brinkhoff
- Vakgebied(en)
Politierecht / Bevoegdheden
Strafprocesrecht / Voorfase
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het verkennend onderzoek ex art. 126gg Sv kenmerkt zich door drie elementen. Allereerst analyseert, bewerkt en veredelt de politie in dit verband omvangrijke gegevensverzamelingen en koppelt ze deze verzamelingen aan elkaar. Dit kan worden geduid als het proces van datamining. Het voorgaande geschiedt ten tweede op een moment dat nog geen sprake is van een concrete verdenking tegen een persoon of groepering, maar van aanwijzingen dat binnen een verzameling van personen (sector van de samenleving) misdrijven worden beraamd of gepleegd. Ten derde is het doel van dat soort onderzoeken het creëren van startinformatie voor in te stellen strafrechtelijke onderzoeken. Het in het proces van datamining (op grote schaal) onderzoek doen naar niet-verdachte burgers is een kenmerkend element dat samenhangt met dit type startinformatie. Toegelicht is dat het wettelijke geregelde verkennend onderzoek van art. 126gg Sv om meerdere redenen niet of nauwelijks wordt gebruikt. Buiten het bestek van dit artikel wordt de methodiek van datamining ook door de politie toegepast en leidt dit wel tot de start van opsporingsonderzoeken. De nog te bespreken informatievergaring door de FIU-Nederland is hier een voorbeeld van, maar ook het gebruik van het ANPR- systeem kan hier onder worden geschaard. Legitimatie voor het toepassen van de methodiek van datamining wordt (doorgaans) gevonden in het algemeen taakstellende art. 3 Politiewet en de bepalingen van de Wpg. Aanbevolen wordt het proces van datamining een meer expliciete wettelijke grondslag te geven waarin, ook met het oog op de uit het tweede lid van art. 8 EVRM voortvloeiende proportionaliteitstoets, onder meer blijk wordt gegeven van een afweging tussen het belang van de opsporing van strafbare feiten versus de schending van de privacy van burgers die plaatsvindt door het proces van datamining. Hoewel het proces van datamining ertoe kan leiden dat op grote schaal de privacy van niet-verdachte burgers wordt geschaad en dit als bezwaarlijk kan worden gezien, leidt dit gelet op de Schutznorm in een concrete strafzaak nooit tot enig gevolg. Niettemin is het goed dat gerealiseerd wordt dat het proces van datamining dit tot gevolg heeft en gelet op de Snowden-affaire is het de vraag of hiervoor ook in de toekomst maatschappelijk en politiek draagvlak blijft bestaan.
Het meest in het oog springende risico bij het starten van een strafrechtelijk onderzoek op basis van de resultaten van het proces van datamining is dat aan de uitkomsten van dit proces een onjuiste conclusie kan worden verbonden, waardoor een burger ten onrechte als verdachte wordt bestempeld en te maken krijgt met privacyschendend en/of vrijheidsbenemend strafvorderlijk overheidsoptreden. Om dit risico te beteugelen dient in alle gevallen voorafgaand aan het toepassen van een dwangmiddel een menselijke beoordeling plaats te vinden van de door datamining verkregen informatie, waarmee wordt bedoeld dat niet ogenblikkelijk strafvorderlijke consequenties behoren te worden verbonden aan de verbanden die geautomatiseerd worden gesignaleerd met betrekking tot een individu. Die beoordeling moet in de eerste plaats worden gemaakt door de politie en in het bijzonder door de zaaksofficier. De zittingsrechter toetst achteraf of een juiste beslissing is genomen. De toetsing van de zittingsrechter kan vorm krijgen door het stellen van de eis dat het proces van datamining actuele en concrete informatie moet hebben opgeleverd die rechtvaardiging biedt voor het ontstaan van de verdenking en het toepassen van een dwangmiddel.