Einde inhoudsopgave
Relativiteit, causaliteit en toerekening van schade (R&P nr. CA21) 2019/2.6.4
2.6.4 Verworpen leren
D.A. van der Kooij, datum 01-08-2019
- Datum
01-08-2019
- Auteur
D.A. van der Kooij
- JCDI
JCDI:ADS590930:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Voetnoten
Voetnoten
Parl. Gesch. Boek 6, p. 635 (T.M.).
Parl. Gesch. Boek 6, p. 635 (T.M.), in het bijzonder voetnoot 3 met de verwijzing naar ‘Langemeijer 1940, p. 533’ e.v. Langemeijer 1940b p. 542 geeft inderdaad een beschrijving van de leer Smits. J. Drion had zich overigens al ruim voor de publicatie van het ontwerp met toelichting van boek 6 een uitgesproken tegenstander van de leer Smits getoond, zie Drion 1947, p. 225.
Parl. Gesch. Boek 6, p. 635 (T.M.).
Hofmann/Drion & Wiersma 1959, p. 124. Drion schreef dat de leer Demogue-Besier wel geldt voor gevallen waarin een handeling onrechtmatig is op grond van het gevaar dat daarmee gecreëerd wordt.
Asser/Rutten 3-II 1954, p. 558.
88. Het driemanschapsontwerp en de toelichting maken ook duidelijk dat niet zijn gevolgd de leer van de schuld aan de schade, de leer Smits en de leer van Demogue-Besier.
Waar art. 1401 (oud) BW volgens zijn bewoordingen schuld aan de schade verlangde, is een dergelijke voorwaarde niet in art. 6:162 BW opgenomen. De toelichting vermeldt dat “betwijfeld [kan] worden” of “zinvol is” om in de situatie waarin sprake is van een onrechtmatige daad ook nog eens de vraag te stellen of de gedraging achterwege had dienen te blijven met het oog op bepaalde door die gedraging te veroorzaken schade. Bovendien zou het stellen van dit vereiste volgens de toelichting tot een te vergaande beperking van aansprakelijkheid leiden.1
De leer Smits wordt in de toelichting als een “constructie” van de leer van de schuld aan de schade aangemerkt en op grond van dezelfde redenen afgewezen.2
De leer van Demogue-Besier wordt tot slot als volgt afgewezen:
“[art. 6:162 BW] stelt niet voor aansprakelijkheid krachtens dat artikel als vereiste het bestaan van een condicio sine qua non verband tussen iedere schadepost en elke factor die medebepalend is voor de onrechtmatigheid van de daad. Het stellen van een dergelijk vereiste zou tot een onaanvaardbare beperking van de aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad leiden.”3
Ter onderbouwing verwijst de toelichting naar De Marchant et d’Ansembourg/Staat,4 naar H. Drions bewerking van Hofmanns Het Nederlands Verbintenissenrecht, waarin de leer deels wordt onderschreven,5 en Ruttens bewerking van het Asser-deel over verbintenissenrecht. Rutten betoogde, dat de leer onaanvaardbaar is omdat haar consequentie is dat de pleger van een onrechtmatige daad “praktisch nooit” aansprakelijk zou zijn.6