Einde inhoudsopgave
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/IV.6.3
IV.6.3 Toepasselijkheid ernstig verwijt-maatstaf bij rechterlijk bevel
mr. T.R. Bleeker LLM, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. T.R. Bleeker LLM
- JCDI
JCDI:ADS460354:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld Timmerman 2016b. Dit standpunt komt uitvoerig aan bod in par. IV.3.6.
Lindenbergh, Schreuder & Verbaan 2016, p. 17; De Valk 2009, p. 194-195; Conclusie bij HR 2 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX8122 (afgedaan met 81 RO), ECLI:NL:PHR:2012:BX8122; HR 15 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD6095, NJ 2002/464, m.nt. Maeijer en Spoor (Jack Daniels); Rb. Haarlem (pres.) 14 oktober 1988, ECLI:NL:RBHAA:1988:AH2457, BIE 1990/47 (Consumentenbond/Eline).
Zie voorgaande voetnoot.
PHR 2 november 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BX8122, overweging 3.9-3.11.
Aldus ook De Valk 2009, p. 561.
Ik heb betoogd dat dit argument ook niet kan dragen dat voor de bestuurdersaansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad wordt afgeweken van de gewone vereisten van artikel 6:162 BW. Zie daarover uitvoerig IV.3.4.
Er zijn auteurs die betogen dat de ernstig verwijt-maatstaf moet worden toegepast over ‘de gehele linie van het bestuurdersaansprakelijkheidsrecht’.1 Dit standpunt impliceert dat een rechterlijk verbod jegens een bestuurder pas kan worden toegewezen wanneer hem persoonlijk een ernstig verwijt treft. In paragraaf IV.2-IV.4 heb ik beargumenteerd waarom de brede toepassing van de uit artikel 2:9 BW afkomstige ernstig verwijtmaatstaf ongefundeerd en onwenselijk is. Dit geldt voor de toepassing van deze maatstaf in schadevergoedingsvorderingen, maar al helemaal in het kader van een rechterlijk bevel. Voor zover ik weet is de ernstig verwijt-maatstaf in de jurisprudentie nooit toegepast in het kader van artikel 3:296 BW. Integendeel: in de jurisprudentie waarin een leidinggevende aansprakelijk werd gesteld tot de naleving van een rechtsplicht op grond van artikel 3:296 BW worden telkens de gewone vereisten van het rechterlijk bevel toegepast.2 Maar om elke twijfel weg te nemen, geef ik op deze plek enkele aanvullende argumenten waarom deze maatstaf niets te zoeken heeft in de gebodsactie.
In de literatuur en in de (schaarse) jurisprudentie over gebodsacties jegens bestuurders gaat men er vanuit dat voor een succesvolle vordering tot rechterlijk bevel niet hoeft te worden aangetoond dat de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt treft, omdat artikel 3:296 BW geen schuld vereist.3 De Hoge Raad heeft zelfs een zaak afgedaan met art. 81 RO, waarin de eiser in cassatie klaagt dat het hof bij het toewijzen van het bevel jegens een bestuurder heeft miskend dat de bestuurder slechts onder uitzonderlijke omstandigheden persoonlijk aansprakelijk is. In zijn conclusie merkt AG Verkade op dat de klager hierbij over het hoofd ziet dat de hogere aansprakelijkheidsdrempel slechts geldt in het kader van de schadevergoedingsactie, en dat voor een rechterlijk bevel geen schuld vereist is.4 Daarnaast wijst Verkade nog op het volgende:
‘Een rechterlijk verbod of bevel, of dit nu jegens de rechtspersoon of de bestuurder of allebei gegeven is, brengt mee dat de bestuurder zeer goed op de hoogte is van risico’s van overtreding van het verbod of bevel. Een goede reden voor bescherming van de privé-vermogenspositie van de bestuurder in geval van overtreding zie ik dan niet: hij/zij werd immers uitdrukkelijk gewaarschuwd. Logischerwijs kan contraminerend handelen dan voor eigen, persoonlijk risico gebracht worden.’
Met andere woorden: bonafide bestuurders hoeven bij een rechterlijk bevel niet te vrezen voor persoonlijke aansprakelijkheid, want ze kunnen het verbeuren van een eventuele dwangsom voorkomen door het bevel van de rechter op te volgen.5 Wanneer de leidinggevende binnen de begunstigingstermijn het bevel uitvoert, zal de milieuaansprakelijkheid geen bijkomende economische gevolgen voor de leidinggevende hebben.
Dat laat onverlet dat het rechterlijke bevel zelf in bepaalde gevallen wél economische gevolgen kan hebben voor individuele bestuurders. Bijvoorbeeld: wanneer een directeur-grootaandeelhouder (‘DGA’) wordt bevolen om – conform de tot hem persoonlijk gerichte milieuvoorschriften6 – het gevaarlijke bedrijfsafval op een deugdelijke wijze op te slaan en te laten verwerken door een daartoe bevoegd gespecialiseerd afvalbedrijf, dan zal dit extra kosten voor de zaak opleveren, hetgeen voor de DGA weer gevolgen kan hebben voor zijn inkomen of winstuitkering. Maar dat een DGA meer kosten maakt door (op aandringen van de rechter) de milieuvoorschriften na te leven dan wanneer hij de milieuovertreding op zijn beloop kan laten, is geen reden om de rechtsplicht te bagatelliseren of de DGA te ontzien bij het opleggen van het bevel.
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het bange bestuurders-argument – een veelgebruikt argument om de toepassing van een afwijkend, restrictief aansprakelijkheidsregime voor bestuurders te rechtvaardigen7 – geen aanleiding geeft om bij een rechterlijk bevel jegens een bestuurder af te wijken van de gewone vereisten van artikel 3:296 BW.