Rechtbank Amsterdam 25 april 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:7580.
HR, 11-07-2025, nr. 24/03485
ECLI:NL:HR:2025:1138
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
11-07-2025
- Zaaknummer
24/03485
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Personen- en familierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:1138, Uitspraak, Hoge Raad, 11‑07‑2025; (Cassatie, Beschikking)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:508
ECLI:NL:PHR:2025:508, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 02‑05‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1138
Beroepschrift, Hoge Raad, 16‑09‑2024
- Vindplaatsen
GZR-Updates.nl 2025-0191
BPR-Updates.nl 2025-0060
JGz 2025/45 met annotatie van mr. dr. R.B.M. Keurentjes
Uitspraak 11‑07‑2025
Inhoudsindicatie
Wvggz. Zorgmachtiging (art. 6:4 Wvggz). Weigering bijstand advocaat. Voorwaarden voor aannemen van afstand van recht op rechtsbijstand (o.a. HR 9 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1837). Motiveringseisen.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 24/03485
Datum 11 juli 2025
BESCHIKKING
In de zaak van
[betrokkene],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
hierna: betrokkene,
advocaat: D. Rijpma,
tegen
DE OFFICIER VAN JUSTITIE IN HET ARRONDISSEMENT AMSTERDAM,
VERWEERDER in cassatie,
hierna: de officier van justitie,
niet verschenen.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikkingen in de zaak C/13/748827 FA RK 24-2237 van de rechtbank Amsterdam van 25 april 2024 en 20 juni 2024.
Betrokkene heeft tegen de beschikking van de rechtbank van 20 juni 2024 beroep in cassatie ingesteld.
De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L.M. Coenraad strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en terugwijzing.
2. Uitgangspunten en feiten
2.1
In deze procedure heeft de officier van justitie de rechtbank verzocht een zorgmachtiging als bedoeld in art. 6:4 Wvggz te verlenen ten aanzien van betrokkene voor de duur van twaalf maanden, aansluitend op een eerdere zorgmachtiging.
2.2
Bij de mondelinge behandeling van het verzoek is betrokkene niet verschenen. De advocaat van betrokkene heeft de rechtbank tijdens de zitting verzocht de behandeling van het verzoek aan te houden.
2.3
De rechtbank heeft een zorgmachtiging ten aanzien van betrokkene verleend voor de duur van twee maanden, het meer verzochte aangehouden en bepaald dat de behandeling van het resterende gedeelte van het verzoek wordt voortgezet op 20 juni 2024.1.
2.4
Tijdens de voortgezette mondelinge behandeling op 20 juni 2024 van het resterende gedeelte van het verzoek is onder anderen betrokkene gehoord. Het proces-verbaal van deze zitting vermeldt onder meer het volgende:
“Alvorens de zitting zou plaatsvinden bij betrokkene thuis deelt betrokkene mee dat zij niet wil dat de advocaat bij de zitting aanwezig is. Hij heeft haar belangen niet goed behartigd. De advocaat reageert hierop dat hij deze keuze heeft te respecteren en aldus niet bij de zitting aanwezig zal zijn.
De zitting vindt plaats buiten aanwezigheid van de advocaat.”
2.5
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking een zorgmachtiging ten aanzien van betrokkene verleend voor verschillende vormen van verplichte zorg, waaronder het toedienen van medicatie en het opnemen in een accommodatie, voor de duur van tien maanden.2.Over de aan betrokkene te verlenen juridische bijstand heeft de rechtbank het volgende overwogen:
“Voorafgaand aan de zitting heeft betrokkene ondubbelzinnig te kennen gegeven dat de advocaat er niet bij mag zijn en dat zij geen bijstand van een advocaat wenst.”
3. Beoordeling van het middel
3.1
Het middel is gericht tegen de hiervoor in 2.5 weergegeven overweging in de bestreden beschikking. Onderdeel 1 van het middel klaagt dat uit het proces-verbaal en deze beschikking niet blijkt dat de rechtbank heeft onderzocht of betrokkene – nu zij juridische bijstand van de aan haar toegevoegde advocaat ondubbelzinnig heeft geweigerd – toevoeging van een andere advocaat wenste. Voor zover dat wel is gebeurd, heeft de rechtbank niet in haar beschikking vermeld wat het resultaat van dat onderzoek is geweest, aldus het onderdeel. Onderdeel 3 betoogt dat ingeval de rechtbank betrokkene aldus heeft verstaan dat zij elke bijstand van een advocaat weigert, uit hetgeen de rechtbank heeft overwogen niet blijkt dat is voldaan aan de voorwaarden om te kunnen aannemen dat betrokkene afstand heeft gedaan van haar recht op rechtsbijstand. Beide onderdelen klagen dat het oordeel van de rechtbank aldus blijk geeft van een verkeerde rechtsopvatting dan wel niet (voldoende) begrijpelijk is gemotiveerd.
3.2
Ingevolge art. 1:7 lid 1, aanhef en onder a, Wvggz geeft de rechter, indien een verzoekschrift voor een zorgmachtiging wordt voorbereid, onverwijld aan het bestuur van de raad voor de rechtsbijstand een last tot toevoeging van een advocaat aan de betrokkene, indien niet blijkt dat de betrokkene reeds een advocaat heeft. Een met de kwetsbare positie van de betrokkene strokende uitleg van deze bepaling, in verbinding met art. 1:7 lid 3 Wvggz en art. 44 lid 2 Sv, brengt mee dat indien de betrokkene te kennen geeft niet (meer) door de toegevoegde advocaat te willen worden bijgestaan, de rechter dient te onderzoeken of de betrokkene toevoeging van een andere advocaat wenst. De rechter dient in zijn beschikking van het resultaat van dit onderzoek te doen blijken.3.
3.3
Het doen van afstand van het recht op rechtsbijstand is als zodanig niet onverenigbaar met art. 1:7 Wvggz, noch met art. 5 EVRM. In zaken als de onderhavige, waarin het onder meer gaat om de onvrijwillige opname in een accommodatie van veelal kwetsbare personen met een psychische stoornis, mag afstand van het recht op rechtsbijstand evenwel niet te snel worden aangenomen. Die afstand mag alleen dan worden aangenomen als de betrokkene zijn wil daartoe in vrijheid heeft kunnen bepalen, die wil ondubbelzinnig kan worden vastgesteld, mede gelet op een mogelijke stoornis, en het doen van afstand in verhouding staat tot het belang van het recht dat daarmee wordt prijsgegeven.4.
3.4
Uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling en de hiervoor in 2.5 weergegeven overweging in de bestreden beschikking blijkt dat betrokkene juridische bijstand van de – naar mag worden aangenomen: op grond van art. 1:7 Wvggz aan haar toegevoegde5.– advocaat uitdrukkelijk heeft geweigerd. De rechtbank diende dus te onderzoeken of betrokkene toevoeging van een andere advocaat wenste (zie hiervoor in 3.2). Uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling blijkt niet dat de rechtbank dit heeft onderzocht. In de bestreden beschikking staat wel dat betrokkene geen bijstand van een advocaat wenst. Voor zover de rechtbank betrokkene aldus heeft verstaan dat zij elke bijstand van een advocaat weigert, blijkt uit hetgeen de rechtbank heeft overwogen niet dat is voldaan aan de hiervoor in 3.3 genoemde voorwaarden om afstand van het recht op rechtsbijstand te kunnen aannemen.
De hiervoor in 3.1 weergegeven klachten slagen dus.
3.5
De overige klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 20 juni 2024;
- wijst het geding terug naar die rechtbank ter verdere behandeling en beslissing.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, als voorzitter, C.E. du Perron en S.J. Schaafsma, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 11 juli 2025.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 11‑07‑2025
Rechtbank Amsterdam 20 juni 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:5748.
Zie HR 9 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1837, rov. 3.2.
Vgl. o.m. HR 24 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1628, rov. 3.3, en HR 9 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1837, rov. 3.3.
Zie de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.12.
Conclusie 02‑05‑2025
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/03485
Zitting 2 mei 2025
CONCLUSIE
L.M. Coenraad
In de zaak
[betrokkene],
verzoekster tot cassatie,
hierna: betrokkene,
advocaat: mr. D. Rijpma,
tegen
de officier van justitie in het arrondissementsparket Amsterdam,
verweerder in cassatie,
hierna: de officier van justitie.
1. Inleiding en samenvatting
1.1
In deze Wvggz-zaak heeft betrokkene bij de voortgezette mondelinge behandeling van het verzoek om een zorgmachtiging meegedeeld dat zij niet wil dat de aan haar toegevoegde advocaat bij de zitting aanwezig is. De mondelinge behandeling vindt vervolgens plaats buiten aanwezigheid van een advocaat. De rechtbank verleent een zorgmachtiging voor de resterende duur van tien maanden.
1.2
In cassatie wordt mijns inziens terecht geklaagd dat uit het proces-verbaal van de voortgezette mondelinge behandeling en uit de bestreden beschikking niet blijkt dat de rechtbank heeft onderzocht of betrokkene toevoeging van een andere advocaat wenste. Ook wordt terecht geklaagd dat uit de bestreden beschikking niet blijkt dat is voldaan aan de door de Hoge Raad geformuleerde voorwaarden om afstand van het recht op rechtsbijstand te kunnen aannemen. De conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing.
2. Feiten en procesverloop
2.1
Bij beschikking van 10 november 2023 is door de rechtbank Amsterdam ten aanzien van betrokkene een zorgmachtiging verleend tot en met 10 mei 2024.1.
2.2
Bij verzoekschrift, bij de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) ingekomen op 4 april 2024, heeft de officier van justitie verzocht ten aanzien van betrokkene een aansluitende zorgmachtiging te verlenen voor de duur van twaalf maanden, voor verschillende vormen van verplichte zorg.
2.3
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 25 april 2024. Daarbij zijn de raadsman van betrokkene en een psychiater en een verpleegkundige gehoord. Betrokkene is niet op de mondelinge behandeling verschenen. In het door mij ambtshalve opgevraagde proces-verbaal van deze mondelinge behandeling staat onder meer:
“De raadsman:
Ik weet niet of betrokkene op de hoogte is van de zitting. Zij heeft mij vorige week een e-mail gestuurd waarin zij schreef dat de zitting in die week zou plaatsvinden. Ik heb daarop gereageerd met de mededeling dat die datum niet klopte en heb haar de juiste zittingsdatum doorgegeven. Sindsdien heb ik niets meer van betrokkene vernomen. Ondanks meerdere pogingen tot contact.
Ik verzoek de behandeling van het verzoek aan te houden (…)
Onderzocht moet worden of betrokkene afstand doet van het recht om gehoord te worden. Zij heeft naar mijn weten geen afstand gedaan en ik ben ook niet gemachtigd om namens betrokkene het woord te voeren. (…) Betrokkene moet in staat worden gesteld haar standpunt naar voren te brengen. Zij is het duidelijk niet eens met het verzoek. Daarom dient het aangehouden te worden. Dat de beslistermijn dan verloopt, daar is een mouw aan te passen door een korte verleng[ing] uit te spreken voor de duur van bijvoorbeeld twee weken.
(…)
Verpleegkundige:
Ik heb betrokkene afgelopen maandag gesproken bij een huisbezoek. Zij gaf aan te zullen kijken op de dag zelf of zij al dan niet aanwezig wilde zijn bij de mondelinge behandeling. (…)”
2.4
Bij beschikking van 25 april 20242.heeft de rechtbank, zakelijk weergegeven, een zorgmachtiging verleend – voor de duur van twee maanden – tot en met uiterlijk 25 juni 2024, het meer verzochte aangehouden en bepaald dat de behandeling van het resterende deel van het verzoek wordt voortgezet op 20 juni 2024. Daarbij heeft de rechtbank, voor zover in cassatie van belang, het volgende overwogen:
“2.1. Betrokkene is niet ter zitting verschenen. Zij is naar behoren opgeroepen door de rechtbank en heeft – blijkens de track and trace – op 10 april 2024 voor ontvangst van de oproep getekend. Tevens heeft betrokkene de raadsman per e-mail benaderd over de mondelinge behandeling waarbij ze een andere datum heeft genoemd. De raadsman heeft haar toen geantwoord en de juiste zittingsdatum vermeld. Voorts heeft ook de ambulant verpleegkundige bij zijn laatste bezoek betrokkene op de datum en het tijdstip van de mondelinge behandeling gewezen. Betrokkene heeft toen geantwoord dat zij op de dag zelf wel zou kijken of ze wel of niet naar de zitting zou komen. Tot slot heeft de rechtbank tijdens de mondelinge behandeling betrokkene proberen in te bellen. Betrokkene gaf echter geen gehoor. De rechtbank houdt het ervoor dat betrokkene, hoewel zij op de hoogte is van de mondelinge behandeling, niet bereid is zich te doen horen. Om die reden gaat de rechtbank voorbij aan [het] verzoek van de raadsman tot aanhouding van de mondelinge behandeling.
(…)
2.5. (…)
Betrokkene is zoals reeds in rechtsoverweging 2.1. is vermeld niet ter zitting verschenen. Ook heeft de raadsman geen inhoudelijk overleg met betrokkene kunnen plegen en is derhalve niet in staat om namens betrokkene het woord te voeren. Om die reden is de rechtbank van oordeel dat het verlenen van een zorgmachtiging voor de duur van twaalf maanden, zoals door de officier van justitie is verzocht, op dit moment te verstrekkend is. De rechtbank is het met de raadsman eens dat betrokkene – hoewel dat in het onderhavige geval ook is gebeurd – in de gelegenheid moet worden gesteld op het verzoek te reageren. De rechtbank zal een zorgmachtiging verlenen voor de duur van twee maanden en houdt het verzoek voor het overige aan. De voortzetting van de behandeling zal plaatsvinden op het woonadres van betrokkene, althans op de plaats waar zij op dat moment verblijft, teneinde betrokkene in de gelegenheid te stellen alsnog te worden gehoord op het verzoek.”
2.5
De voortgezette mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 20 juni 2024. Daarbij zijn betrokkene en dezelfde psychiater en verpleegkundige (in opleiding)3.als tijdens de eerste mondelinge behandeling gehoord. Het proces-verbaal van deze mondelinge behandeling vermeldt voor zover in cassatie van belang het volgende:
“Alvorens de zitting zou plaatsvinden bij betrokkene thuis deelt betrokkene mee dat zij niet wil dat de advocaat bij de zitting aanwezig is. Hij heeft haar belangen niet goed behartigd. De advocaat reageert hierop dat hij deze keuze heeft te respecteren en aldus niet bij de zitting aanwezig zal zijn.
De zitting vindt plaats buiten aanwezigheid van de advocaat.
Betrokkene deelt mee dat zij niets heeft aan de zorgmachtiging. Haar gezondheid is niet verbeterd sinds zij zorg ontvangt. Zij is ook niet op de rechtbankzitting van twee maanden geleden verschenen omdat zij het nut niet inzag om daar heen te gaan. Er wordt toch niet naar haar geluisterd. Betrokkene wil nu ook niet veel zeggen. Zij heeft last van haar keel en is daar nog herstellende van. Zij begrijpt de zorgmachtiging wel maar is het daar niet mee eens.
(…)
Na afloop van de zitting deelt de rechter aan de advocaat een korte samenvatting van de zitting mee en zijn beslissing.”
2.6
Bij beschikking van 20 juni 20244.(hierna: de bestreden beschikking) heeft de rechtbank, kort weergegeven en voor zover in cassatie van belang, een zorgmachtiging verleend – voor de duur van tien maanden – tot en met uiterlijk 20 april 2025. Daarbij heeft de rechtbank, voor zover in cassatie van belang, het volgende overwogen:
“1. Procesverloop
(…)
Voorafgaand aan de zitting heeft betrokkene ondubbelzinnig te kennen gegeven dat de advocaat er niet bij mag zijn en dat zij geen bijstand van een advocaat wenst.
2. Beoordeling
(…)
2.9. (…)
De advocaat heeft geen verweer kunnen voeren omdat betrokkene niet wilde dat de advocaat bij de zitting aanwezig was. Na afloop van de zitting heeft de rechtbank de advocaat een korte samenvatting van het verloop van de zitting gegeven [en] hem de beslissing meegedeeld.”
2.7
Namens betrokkene is – tijdig – beroep in cassatie ingesteld tegen de beschikking van 20 juni 2024. De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend.
3. Bespreking van het cassatiemiddel
3.1
Het middel is – naar ik begrijp – gericht tegen de hiervoor onder 2.6 aangehaalde overweging van de rechtbank in r.o. 1. Onder het kopje “Klacht” lees ik drie klachten.
3.2
De eerste klacht voert aan dat niet blijkt dat de rechtbank heeft onderzocht of betrokkene − nu zij juridische bijstand door de aan haar toegevoegde advocaat ondubbelzinnig heeft geweigerd − toevoeging van een andere advocaat wenste. Voor zover dat wel is gebeurd, heeft de rechtbank niet in haar beschikking vermeld wat het resultaat van dat onderzoek is geweest, aldus de klacht.
3.3
De tweede klacht gaat uit van de lezing dat de rechtbank van oordeel zou zijn dat toevoeging van een nieuwe advocaat binnen de (resterende) beslistermijn niet mogelijk was. In dat geval blijkt uit hetgeen de rechtbank heeft overwogen niet dat zij van dit oordeel mededeling heeft gedaan aan betrokkene, noch dat zij betrokkene erop heeft gewezen dat haar weigering om zich te laten bijstaan door de toegevoegde raadsman, ertoe kon leiden dat zij bij de behandeling van het verzoek niet door een advocaat zou worden bijgestaan, aldus de klacht.
3.4
De derde klacht gaat uit van het geval dat de rechtbank betrokkene aldus heeft verstaan dat zij elke bijstand van een advocaat weigert. In dat geval blijkt uit hetgeen de rechtbank heeft overwogen niet dat is voldaan aan de voorwaarden om te kunnen aannemen dat betrokkene afstand heeft gedaan van het recht op rechtsbijstand, aldus de klacht.
3.5
Het oordeel van de rechtbank geeft blijk van een verkeerde rechtsopvatting of is niet (voldoende) begrijpelijk gemotiveerd, aldus besluit elk van de klachten.
3.6
Bij de bespreking van de klachten stel ik het volgende voorop.
3.7
Ingevolge artikel 1:7 lid 1, aanhef en onder a, Wvggz geeft de rechter, indien een verzoekschrift voor een zorgmachtiging wordt voorbereid, onverwijld aan het bestuur van de raad voor rechtsbijstand een last tot toevoeging van een advocaat aan een betrokkene, indien niet blijkt dat die betrokkene reeds een advocaat heeft.5.
3.8
Over de situatie dat een betrokkene te kennen geeft niet (meer) door de toegevoegde advocaat te willen worden bijgestaan, heeft de Hoge Raad in zijn beschikking van 9 december 2022 het volgende overwogen:6.
“Een met de kwetsbare positie van de betrokkene strokende uitleg van deze bepaling [art. 1:7 lid 1, aanhef en onder a, Wvggz; A-G] , in verbinding met art. 1:7 lid 3 Wvggz en art. 44 lid 2 Sv, brengt mee dat indien de betrokkene te kennen geeft niet (meer) door de toegevoegde advocaat te willen worden bijgestaan, de rechter dient te onderzoeken of de betrokkene toevoeging van een andere advocaat wenst. De rechter dient in zijn beschikking van het resultaat van dit onderzoek te doen blijken.”
3.9
De Hoge Raad heeft in de hiervoor genoemde beschikking ook een overweging gewijd aan het geval dat een betrokkene elke bijstand van een advocaat weigert:7.
“Voor het geval een betrokkene elke bijstand van een advocaat weigert, overweegt de Hoge Raad als volgt overeenkomstig zijn op art. 8 lid 3 Wet Bopz (oud) betrekking hebbende rechtspraak,8.die haar betekenis voor de toepassing van art. 1:7 Wvggz heeft behouden.
Het doen van afstand van het recht op rechtsbijstand is als zodanig niet onverenigbaar met art. 1:7 Wvggz, noch met art. 5 EVRM. In zaken als de onderhavige, waarin het gaat om de onvrijwillige opname in een accommodatie van veelal kwetsbare personen met een psychische stoornis, mag afstand van het recht op rechtsbijstand evenwel niet te snel worden aangenomen. Die afstand mag alleen dan worden aangenomen als de betrokkene zijn wil daartoe in vrijheid heeft kunnen bepalen, die wil ondubbelzinnig kan worden vastgesteld, mede gelet op een mogelijke stoornis, en het doen van afstand in verhouding staat tot het belang van het recht dat daarmee wordt prijsgegeven.”
3.10
Indien de rechter aanneemt dat een betrokkene afstand doet van het recht op rechtsbijstand moet uit de beschikking blijken dat is voldaan aan de hiervoor onder 3.9 geciteerde voorwaarden.9.
3.11
Ik keer terug naar de bespreking van het middel.
3.12
Bij die bespreking ga ik er, in navolging van het middel, van uit dat de advocaat in eerste aanleg op grond van artikel 1:7 Wvggz aan betrokkene is toegevoegd. De stukken van het geding en de beschikking van 25 april 2024 en de bestreden beschikking bevatten geen enkele aanwijzing dat de advocaat in eerste aanleg niet aan betrokkene zou zijn toegevoegd op grond van artikel 1:7 Wvggz, hoewel ook niet expliciet van een dergelijke toevoeging blijkt.
3.13
Vanwege de samenhang tussen deze klachten behandel ik de eerste en de derde klacht tegelijk. Beide klachten slagen.
3.14
Uit het proces-verbaal van de voortgezette mondelinge behandeling en uit de bestreden beschikking blijkt dat betrokkene geen bijstand wilde van haar advocaat. De rechtbank diende daarom te onderzoeken of betrokkene toevoeging van een andere advocaat wenste (zie hiervoor onder 3.8).
3.15
De, naar ik begrijp, bestreden overweging in r.o. 1 luidt als volgt:
“Voorafgaand aan de zitting heeft betrokkene ondubbelzinnig te kennen gegeven dat de advocaat er niet bij mag zijn en dat zij geen bijstand van een advocaat wenst.”
3.16
Het slot van deze overweging (“en dat zij geen bijstand van een advocaat wenst”) zou wellicht als resultaat van het onder 3.14 bedoelde onderzoek opgevat kunnen worden. Uit het proces-verbaal van de voortgezette mondelinge behandeling10.en uit de bestreden beschikking blijkt echter niet dat de rechtbank heeft onderzocht of betrokkene toevoeging van een andere advocaat wenste. Zonder nadere motivering is dan ook onbegrijpelijk hoe de rechtbank tot dit oordeel is gekomen. Daarmee slaagt de eerste klacht.
3.17
Bedoeld slot van de overweging lijkt er in ieder geval op te wijzen dat de rechtbank betrokkene aldus heeft verstaan dat zij elke bijstand van een advocaat weigert. Uit hetgeen de rechtbank heeft overwogen, blijkt echter niet dat aan de hiervoor onder 3.9 geciteerde voorwaarden om afstand van het recht op rechtsbijstand te kunnen aannemen, is voldaan. Daarmee slaagt ook de derde klacht.
3.18
De tweede klacht faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. Noch het proces-verbaal, noch de bestreden beschikking biedt mijns inziens aanknopingspunten voor de lezing dat de rechtbank van oordeel was dat toevoeging van een andere advocaat binnen de resterende beslistermijn niet mogelijk was.11.
3.19
Nu de eerste en de derde klacht slagen, kan de bestreden beschikking niet in stand blijven.
4. Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en terugwijzing.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 02‑05‑2025
Blijkend uit het verzoekschrift van de officier van justitie van 4 april 2024.
ECLI:NL:RBAMS:2024:7580, mondelinge uitspraak van 25 april 2024, schriftelijk uitgewerkt en ondertekend op 13 mei 2024.
Naar blijkt uit de bestreden beschikking, r.o. 1.
ECLI:NL:RBAMS:2024:5748, mondelinge uitspraak van 20 juni 2024, schriftelijk uitgewerkt en ondertekend op 2 juli 2024.
Zie nader over dit systeem van toevoegingen en het uitgangspunt van kosteloze rechtsbijstand in Wvggz-procedures waarbij de vrijheid van de betrokkene in het geding is: HR 19 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:48, JGz 2024/23 m.nt. W.J.A.M. Dijkers.
HR 9 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1837, NJ 2023/7 en JGz 2023/5, r.o. 3.2, met verwijzing naar HR 16 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1214, NJ 2022/307 en JGz 2023/2, r.o. 3.2. Zie ook o.m. HR 17 september 2021, ECLI:NL:HR:2021:1273, NJ 2021/305 en JGz 2021/78, r.o. 3.2; HR 19 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3663, NJ 2015/35 en JVggz 2015/1 m.nt. W.J.A.M Dijkers, r.o. 3.5-3.6; HR 17 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2998, NJ 2014/471 en JVggz 2014/39, r.o. 3.8 en HR 1 juli 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1422, NJ 1994/720 m.nt. J. de Boer, r.o. 3.1. Zie over deze rechtspraak op dit punt en de hierna te bespreken afstand van het recht op rechtsbijstand onder meer P. Vlaardingerbroek/S. McFedries, T&C PFR, art. 1:7 Wvggz, aant. 2 (actueel t/m 1 maart 2025); E. Plomp, ‘Kroniek rechtspraak Wet verplichte ggz en Wet zorg en dwang’, TvGR 2024/3, par. 2.2; C. Reijntjes-Wendenburg, Gedwongen psychiatrische zorg (PWS nr. 12), Deventer: Wolters Kluwer 2023, par. 2.1.7.
HR 9 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1837, NJ 2023/7 en JGz 2023/5, r.o. 3.3. Zie ook HR 2 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:848, NJ 2023/191 en JGz 2023/27, r.o. 3.3 en de conclusie voor die uitspraak van voormalig A-G Lückers, ECLI:NL:PHR:2023:353, onder 3.3-3.10, alsmede HR 24 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1628, JGz 2024/22 m.nt. R.P. de Roode, r.o. 3.2-3.3. Vgl. ook de recente conclusie van A-G Drijber van 11 april 2025, ECLI:NL:PHR:2025:429, onder 3.5-3.8.
Voetnoot 2 op deze plaats in de geciteerde tekst luidt: “Zie HR 2 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:146, rov. 3.5 met verwijzing naar EHRM 24 april 2012, nr. 1413/05 (Damir Sibgattulin/Rusland).”
Zo blijkt uit HR 9 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1837, NJ 2023/7 en JGz 2023/5, r.o. 3.4. Vgl. HR 24 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1628, JGz 2024/22 m.nt. R.P. de Roode, r.o. 3.4. Zie ook E. Plomp, ‘Kroniek rechtspraak Wet verplichte ggz en Wet zorg en dwang’, TvGR 2024/3, par. 2.2, onder verwijzing naar deze rechtspraak (in noot 41).
Zie hiervoor onder 2.5.
Vgl. HR 19 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3663, NJ 2015/35 en JVggz 2015/1 m.nt. W.J.A.M Dijkers, r.o. 3.6, in verband met het verlenen van een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling onder de Wet Bopz.
Beroepschrift 16‑09‑2024
PROCESINLEIDING
VERZOEKPROCEDURE IN CASSATIE (art. 426a Rv)
Verzoekster
[betrokkene], wonende te [woonplaats], te dezer zake woonplaats kiezende te Den Haag aan het Prinses Margrietplantsoen 33 (WTC The Hague Business Center) ten kantore van Rijpma Cassatie & Litigation, van wie de advocaat bij de Hoge Raad mr. D. Rijpma als zodanig voor verzoekster van cassatie optreedt en namens haar deze procesinleiding ondertekent en indient.
Cassatieberoep
Verzoekster stelt bij dezen beroep in cassatie in tegen de beschikking van 20 juni 2024 in de zaak met zaaknummer C/13/748827 / FA RK 24-2237, gegeven door de Rechtbank Amsterdam naar aanleiding van het door de officier van justitie op 4 april 2024 ingediende verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging aansluitend op een zorgmachtiging.
Bevoegde rechter
De Hoge Raad der Nederlanden, gevestigd te (2511 EK) Den Haag aan het Korte Voorhout 8, is de bevoegde rechter die kennisneemt van het cassatieberoep.
Middel van cassatie
Schending van het recht, en/of verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming nietigheid met zich brengt, omdat de rechtbank heeft overwogen en beslist als vermeld in de beschikking waarvan beroep, ten onrechte, om de navolgende, mede in onderling verband en samenhang te beschouwen redenen.
Feiten
(i)
De officier van justitie heeft de rechtbank op 4 april 2024 verzocht een aansluitende zorgmachtiging als bedoeld in art. 6:4 Wvggz te verlenen voor de duur van twaalf maanden.
(ii)
Op 25 april 2024 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. [betrokkene] is daar niet verschenen. De raadsman van [betrokkene] heeft verzocht de mondelinge behandeling aan te houden. De rechtbank is aan dat verzoek voorbij gegaan, en heeft bij tussenbeschikking van diezelfde datum de zorgmachtiging verleend voor de duur van twee maanden (tot en met 25 juni 2024) onder aanhouding van het meer verzochte, en met de bepaling dat de behandeling van het resterende gedeelte van het verzoek wordt voortgezet op 20 juni 2024 om 9:30 uur op het woonadres van betrokkene, althans op de locatie waar zij op dat moment verblijft.
(iii)
Tijdens de mondelinge behandeling van 20 juni 2024 ten huize van [betrokkene] is onder anderen [betrokkene] gehoord. In het proces-verbaal van deze zitting wordt op blz. 1 onder meer het volgende vermeld:
‘Alvorens de zitting zou plaatsvinden bij betrokkene thuis deelt betrokkene mee dat zij niet wil dat de advocaat bij de zitting aanwezig is. Hij heeft haar belangen niet goed behartigd. De advocaat reageert hierop dat hij deze keuze heeft te respecteren en aldus niet bij de zitting aanwezig zal zijn.
De zitting vindt plaats buiten aanwezigheid van de advocaat’.
(iv)
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking een zorgmachtiging voor de duur van tien maanden (tot en met 20 april 2025) verleend. Over de aan [betrokkene] te verlenen juridische bijstand heeft de rechtbank in rov. 1 overwogen als volgt:
‘Voorafgaand aan de zitting heeft betrokkene ondubbelzinnig te kennen gegeven dat de advocaat er niet bij mag zijn en dat zij geen bijstand van een advocaat wenst.’
Inleiding
(a)
Ingevolge art. 1:7 lid 1, aanhef en onder a, Wvggz geeft de rechter, indien een verzoekschrift voor een zorgmachtiging wordt voorbereid, onverwijld aan het bestuur van de raad voor de rechtsbijstand een last tot toevoeging van een advocaat aan de betrokkene, indien niet blijkt dat de betrokkene reeds een advocaat heeft. Een met de kwetsbare positie van de betrokkene strokende uitleg van deze bepaling, in verbinding met art. 1:7 lid 3 Wvggz en art. 44 lid 2 Sv, brengt mee dat indien de betrokkene te kennen geeft niet (meer) door de toegevoegde advocaat te willen worden bijgestaan, de rechter dient te onderzoeken of de betrokkene toevoeging van een andere advocaat wenst. De rechter dient in zijn beschikking van het resultaat van dit onderzoek te doen blijken.1.
(b)
Het vorenstaande geldt eveneens indien de rechter is gebonden aan een (nog maar) korte (resterende) beslistermijn. Indien in een dergelijk geval de betrokkene verklaart dat hij geen bijstand wenst van de aan hem toegevoegde raadsman, is de rechter gehouden te onderzoeken of de betrokkene toevoeging van een andere raadsman wenst, en, zo ja, of het mogelijk is om, binnen de (resterende) beslistermijn, een andere raadsman aan de betrokkene toe te voegen. Bij bevestigende beantwoording van laatstgenoemde vraag dient de rechter erop toe te zien dat een nieuwe raadsman aan de betrokkene wordt toegevoegd.
Indien de rechter van oordeel is dat de toevoeging van een nieuwe raadsman binnen de (resterende) beslistermijn niet mogelijk is, is hij gehouden hiervan mededeling te doen aan de betrokkene. In dat geval dient de rechter de betrokkene erop te wijzen dat zijn weigering om zich te laten bijstaan door de aanvankelijk toegevoegde raadsman, ertoe kan leiden dat hij bij de behandeling van het verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging niet door een raadsman wordt bijgestaan.De rechter is gehouden om in zijn beschikking te doen blijken van het resultaat van vorenstaand onderzoek en, in voorkomend geval, van het standpunt van de betrokkene ten aanzien van de onmogelijkheid om tijdig een andere raadsman aan hem toe te voegen.2.
(c)
Voor het geval een betrokkene elke bijstand van een advocaat weigert, geldt dat het doen van afstand van het recht op rechtsbijstand als zodanig niet onverenigbaar is met art. 1:7 Wvggz, noch met art. 5 EVRM, maar in zaken als de onderhavige, waarin het gaat om verplichte zorg aan veelal kwetsbare personen met een psychische stoornis, mag afstand van het recht op rechtsbijstand niet te snel worden aangenomen. Die afstand mag alleen dan worden aangenomen als de betrokkene zijn wil daartoe in vrijheid heeft kunnen bepalen, die wil ondubbelzinnig kan worden vastgesteld, mede gelet op een mogelijke stoornis, en het doen van afstand in verhouding staat tot het belang van het recht dat daarmee wordt prijsgegeven.3./4.
Klacht
1
Uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling en uit rov. 1 van de bestreden beschikking blijkt dat [betrokkene] juridische bijstand van de aan haar toegevoegde advocaat ondubbelzinnig heeft geweigerd. De rechtbank diende dus te onderzoeken of [betrokkene] toevoeging van een andere advocaat wenste. Uit het proces-verbaal en uit de beschikking blijkt niet dat de rechtbank dit heeft onderzocht. Voor zover dat wel is gebeurd, heeft de rechtbank niet in haar beschikking vermeld wat het resultaat van dat onderzoek is geweest. Het oordeel van de rechtbank geeft dus óf blijk van een verkeerde rechtsopvatting, óf het is niet (voldoende) begrijpelijk gemotiveerd terzake van hetgeen hiervoor sub (a) is vermeld.
2
In het geval de rechtbank van oordeel was dat toevoeging van een nieuwe raadsman binnen de (resterende) beslistermijn niet mogelijk was, blijkt uit hetgeen de rechtbank heeft overwogen niet dat zij hiervan mededeling heeft gedaan aan [betrokkene], noch dat zij [betrokkene] erop heeft gewezen dat haar weigering om zich te laten bijstaan door de aanvankelijk toegevoegde raadsman, ertoe kon leiden dat zij bij de behandeling van het verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging niet door een raadsman zou worden bijgestaan. In dat geval geeft het oordeel van de rechtbank dus óf blijk van een verkeerde rechtsopvatting, óf is het niet (voldoende) begrijpelijk gemotiveerd terzake van hetgeen hiervoor sub (b) is vermeld.
3
Ingeval de rechtbank [betrokkene] aldus heeft verstaan dat zij elke bijstand van een advocaat weigert, blijkt uit hetgeen de rechtbank heeft overwogen niet dat aan de hiervoor sub (c) genoemde voorwaarden om afstand te kunnen aannemen, is voldaan. Ook in dat geval geeft het oordeel van de rechtbank dus óf blijk van een verkeerde rechtsopvatting, óf is het niet (voldoende) begrijpelijk gemotiveerd.
Verzoek
Verzoekster verzoekt de Hoge Raad de beschikking waartegen bovenstaand middel van cassatie is gericht, te vernietigen, met zodanige verdere uitspraak als de Hoge Raad zal vermenen te behoren.
Den Haag, 16 september 2024
Advocaat bij de Hoge Raad
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 16‑09‑2024
Vgl. HR 1 juli 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1422, NJ 1994/720; HR 17 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2998, NJ 2014/471; HR 19 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3663, NJ 2015/35 (red.aant.); HR 17 september 2021, ECLI:NL:HR:2021:1273, NJ 2021/305 (red. aant.); HR 16 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1214, NJ 2022/306 (red. aant.); en HR 9 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1837, NJ 2023/7 (red. aant.).
Vgl. HR 19 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3663, NJ 2015/35 (red.aant.).
Vgl. HR 9 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1837, NJ 2023/7 (red. aant.).
Zie voor hetgeen hiervoor sub (a) t/m (c) is vermeld ook W.J.A.M. Dijkers, Sdu Commentaar Gedwongen zorg, Den Haag: Sdu 2023, art. 6:1 Wvggz, §§ 5.3 en 5.4; alsmede C. Reijntjes-Wendenburg, Gedwongen psychiatrische zorg, Deventer: Wolters Kluwer 2023, blz. 114/115; beide met verwijzing naar rechtspraak van de Hoge Raad.