Einde inhoudsopgave
Sleutels voor personenvennootschapsrecht (IVOR nr. 102) 2017/2.5.2.2
2.5.2.2 De beneficiaire aanspraak op het maatschapsvermogen
Chr.M. Stokkermans, datum 28-02-2017
- Datum
28-02-2017
- Auteur
Chr.M. Stokkermans
- JCDI
JCDI:ADS590408:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zo ook maken de tot een nalatenschap behorende goederen m.i. geen onderdeel uit van de privévermogens van de erfgenamen. Wordt uit de nalatenschap aan één erfgenaam een voorschotuitkering gedaan, dan blijft zijn goederenrechtelijke aandeel in de goederen van de nalatenschap gelijk, maar vermindert zijn aandeel in de beneficiaire aanspraak die in dit geval niet een contractueel karakter heeft.
Economische eigendom is niet meer dan een samenvattende benaming zonder zelfstandige betekenis van de rechtsverhouding tussen partijen die deze in het leven hebben geroepen, aldus HR 3 november 2006, JOR 2007/76, NJ 2007/155(Nebula).
Vgl. Kleijn 1994, p. 214, waar in het kader van de trust wordt gesproken over ‘beneficiaire rechten’.
Zie 2.5.7. Voor een aanzet in deze richting reeds: Kortmann & Verhagen 1999, p. 205-207.
Art. 4:200 BW; zie ook Asser/Perrick 4 2013/530.
Aangehaald en overgenomen in Van der Grinten 1953, p. 122 en Van der Heijden/Van der Grinten 1992, nr. 161.
Vgl. 2.5.7.1 over de aanspraak van de begunstigde van een trust. Vgl. ook Faber 1996, p. 251, die uit het residuele karakter van de aanspraak van de begunstigde van een trust afleidt dat deze geen zaakscrediteur is.
Art. 3:175 BW (aandeel in goed dat in eenvoudige gemeenschap wordt gehouden). Art. 3:191 BW geeft dezelfde regel voor het aandeel in een bijzondere gemeenschap als geheel.
Vgl. sub 7 van mijn noot onder Vzr. Rb. Midden-Nederland 27 mei 2015, JOR 2016/29 (Ballast Nedam Parking).
De wijze van levering van een aandeel in de beneficiaire aanspraak komt in 2.5.3.3 aan de orde.
Zie art. 3:83 lid 1 BW en 2.6.2 en 2.6.3.
Zie over dit onderscheid onder meer: Asser/Maeijer 5-V 1995/155 e.v.; Maeijer 2003, p. 468. Maeijer 2003a, p. 7-9 en Maeijer 2003b.
Maeijer 2003a, p. 5, aldus bedekt refererend aan Van der Grinten die in 1972 had gesteld dat van een ‘klaar rechtsdenken’ over het gemeenschappelijk vermogen niet kon worden gesproken. Zie Toelichting op het Ontwerp-Van der Grinten, p. 1085. Vgl. Scholten 1922, p. 298 (‘… dat klaarheid in de leer der rechtspersonen nog niet is gewonnen’).
Kamerstukken II 2002-2003, 28 746, nr. 3, p. 35 en 38; Kamerstukken I 2006-2007, 28 746, E, p. 12. Zo ook Maeijer 2008, p. 6.
Asser/Maeijer 5-V 1995/157 e.v.; Asser/Maeijer & Van Olffen 7-VII* 2010/157 e.v.
Ontwerp-Maeijer, art. 807; Maeijer 2008, p. 6. Deze logische consequentie is wel getrokken in Timmerman 2003, sub 2; Timmerman 2003a, p. 154; Van Veen 2005, p. 167 en Zaman 2005, p. 715/716. Volgens de oorspronkelijke versie van art. 807 hadden de vennoten trouwens nog een aandeel in de goederen van de OVR. Dit werd als onverenigbaar met de rechtspersoonlijkheid aangemerkt en is na kritiek van onder meer Ten Berg 2003, p. 17/18; Mohr 2003a, p. 216/217; Van Mourik 2003, p. 141; Prinsen 2003, p. 61; en Van der Sangen 2003, p. 124 aangepast. Zie Maeijer 2003a, p. 7. Over het verband van deze kwestie met het begrip ‘rechtspersoonlijkheid’, zie 3.4.5.2.
Kamerstukken II 2002-2003, 28 746, nr. 3, p. 35 en 38; Kamerstukken I 2006-2007, 28 746, E, p. 12. Ook: Mathey-Bal 2016, p. 96 spreekt van een aanspraak ‘in geld’.
In soortgelijke zin: Grapperhaus 2003, p. 122 waar hij voorstelt ‘deelgerechtigdheid’ in het vennootschapsvermogen te definiëren als: het aan een vennoot toe te rekenen aandeel in de waarde van het vermogen van de vennootschap.
Werkgroep-Van Olffen 2016, concept-wetsvoorstel, art. 8 jo. art. 7 lid 4.
Werkgroep-Van Olffen 2016, concept-wetsvoorstel, art. 7 lid 7 jo. afdeling 3.7.2 BW (met name art. 3:192 BW).
Zie Werkgroep-Van Olffen 2016, concept-wetsvoorstel, art. 7 lid 5, dat volgens art. 8niet van overeenkomstige toepassing is op de stille vennootschap.
Perrick 2016b, p. 82 en 97.
Werkgroep-Van Olffen 2016, concept-wetsvoorstel, art. 10.
Werkgroep-Van Olffen 2016, concept-wetsvoorstel, art. 26 lid 2. Zie ook concept-MvT, p. 111.
HR 3 mei 1968, NJ 1968/267(Otten). Asser/Maeijer & Van Olffen 7-VII* 2010/155.
HR 24 januari 1947, NJ 1947/71(Rouma/Levelt). Zie ook Ontwerp-Maeijer, art. 830 leden 3 en 8.
Schoordijk 1983, p. 39; Raaijmakers 2002, p. 30.
Zoals bij de bijzondere gemeenschappen van titel 3.7 BW.
In deze zin ook: Steneker 2005, p. 164. De reikwijdte van art. 3:84 lid 3 BW is overigens beperkt en staat sowieso niet aan vermogensscheiding in de weg. Zie Faber 1996, p. 228- 233 en Zwalve 2015.
Tegenover de aandelen in de tot het maatschapsvermogen behorende goederen, die ik integraal buiten de privévermogens van de vennoten situeer, staat een contractuele aanspraak op het vennootschapsvermogen als geheel. Deze valt wél in de privévermogens van de vennoten. Zij kan worden gezien als een vorderingsrecht van de gezamenlijke vennoten in privé op de gezamenlijke vennoten q.q.1 Het gaat om economische eigendom,2 maar ik spreek liever van een beneficiaire aanspraak. Niet alleen taalkundig, maar ook juridisch is dat een goede vertaling van wat bij de Engelse trust beneficial interest heet.3 De sterke gelijkenis tussen maatschapsvermogen en trustvermogen wordt verderop nader uitgewerkt.4 De term ‘beneficiaire aanspraak’ sluit ook goed aan bij de mogelijkheid dat een nalatenschap ‘beneficiair’ wordt aanvaard. Zelfs als er maar één erfgenaam is, gaat beneficiaire aanvaarding gepaard met vermogensscheiding.5
De beneficiaire aanspraak op het maatschapsvermogen vormt een verbintenis van een bijzondere soort. De (overige) maatschapsschuldeisers gaan voor, maar de beneficiaire aanspraak is geen achtergestelde vordering. Het is een residuele aanspraak die niet vatbaar is voor inning of verificatie in het faillissement van de maatschap. In zoverre past een vergelijking met het kapitaal van een NV, door Van der Heijden aangeduid als ‘onlosbare vennootschappelijke schuld’.6 De gerechtigden tot de beneficiaire aanspraak blijven daarom buiten het gebruikelijke begrip ‘maatschapsschuldeisers’.7 Wordt aan een vennoot een uitkering uit het maatschapsvermogen betaalbaar gesteld, dan treedt het (wel inbare en wel verifieerbare) recht op uitkering dat daardoor ontstaat, geheel of ten dele in de plaats van het aandeel van de vennoot in de beneficiaire aanspraak. Dit geldt voor jaarlijkse en tussentijdse uitkeringen, maar ook voor de uittreedvergoeding bij uittreden en voor uitkeringen uit het liquidatiesaldo na ontbinding van de maatschap.
De beneficiaire aanspraak behoort in een eenvoudige gemeenschap toe aan de vennoten in privé. Ieder van hen heeft daarin een onverdeeld aandeel. Dit brengt mee dat een vennoot vrijelijk over zijn aandeel kan beschikken, voor zover uit de rechtsverhouding tussen de deelgenoten niet anders voortvloeit.8 Uit de vennootschappelijke aard van de contractuele band tussen de vennoten kan worden afgeleid dat de beschikkingsbevoegdheid van een vennoot in die zin beperkt is, dat hij over dat aandeel slechts kan beschikken met instemming van de medevennoten of als de medevennoten bij het onthouden van de instemming geen rechtens te respecteren belang hebben. Het ontbreken van een dergelijk belang is voorstelbaar in gevallen na ontbinding van de maatschap.9 Een aandeel in de beneficiaire aanspraak op het maatschapsvermogen kan in beginsel slechts als onderdeel van het gehele vennootschapsaandeel worden overgedragen.10 Dit kan worden opgevat als een uit de aard van de beneficiaire aanspraak voortvloeiende beperking van de overdraagbaarheid.11 Beschikkingsbevoegdheid én overdraagbaarheid zijn aldus beperkt.
Het vraagstuk dat met het idee van de beneficiaire aanspraak wordt opgelosthoe te construeren dat de curator van een failliete vennoot genoegen moet nemen met de contractuele aanspraak op het maatschapsvermogen en geen aanspraak heeft op de goederenrechtelijke aandelen van de failliet in de tot het maatschapsvermogen behorende goederen – trachtte Maeijer op vergelijkbare wijze op te lossen. Hij onderscheidde enerzijds een goederenrechtelijk aandeel van een vennoot in de vennootschappelijke gemeenschap, ten aanzien waarvan de vennoot beperkt beschikkingsbevoegd is, en anderzijds een ‘economische deelgerechtigdheid’ van de vennoot in het vennootschapsvermogen.12
Wat Maeijer precies bedoelde met zijn ‘economische deelgerechtigdheid’ is altijd een beetje in nevelen gehuld gebleven, al sprak hij zelf van een ‘klaar rechtsdenken’.13 In de parlementaire geschiedenis is de ‘economische deelgerechtigdheid’ een obligatoire aanspraak van de vennoot jegens de vennootschap genoemd,14 net als mijn beneficiaire aanspraak. Maar volgens Maeijer had zijn economische deelgerechtigdheid niets met vermogensscheiding te maken.15 Dat is m.i. niet goed verenigbaar met Maeijer’s opvatting dat de curator van een failliete vennoot uiteindelijk geen aanspraak heeft op de goederenrechtelijke aandelen van de failliet in de tot het maatschapsvermogen behorende goederen, maar (slechts) op hetgeen hem toekomt op basis van zijn economische deelgerechtigdheid. De consequentie dat bij de OVR de ‘economische deelgerechtigdheid’ logischerwijze moest samenvallen met wat in het Ontwerp-Maeijer werd aangeduid als het ‘aandeel in de vennootschap die rechtspersoon is’, werd evenmin getrokken.16 Verder werd de ‘economische deelgerechtigdheid’ in de parlementaire geschiedenis ten onrechte aangeduid als een obligatoire aanspraak ‘in geld’.17 Het betreft m.i. geen aanspraak in geld, maar een residuele aanspraak op een afgescheiden (of bij de OVR: eigen) vermogen waaruit op enig moment aanspraken in geld (rechten op uitkering) konden voortvloeien.18
De werkgroep-Van Olffen stelt dat haar stille vennootschap, anders dan haar openbare vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid, geen afgescheiden vermogen heeft. Maar het aandeel van een vennoot in de vennootschappelijke gemeenschap van een stille vennootschap kan volgens de werkgroep niet door privécrediteuren worden uitgewonnen.19 Volgens mij is dat juist de kern van vermogensscheiding. Bovendien voorziet het voorstel van de werkgroep erin dat tot het maatschapsvermogen behorende schulden op de tot het maatschapsvermogen behorende goederen worden verhaald, zij het pas na ontbinding van de vennootschap.20 Voorafgaand aan ontbinding kan volgens de werkgroep niemand zich verhalen op de tot het maatschapsvermogen behorende goederen.21 Ook Perrick heeft hierop gewezen.22 Verder lijkt het uitwinningsverbod van de werkgroep mee te brengen dat de curator van een failliete vennoot moet aanvaarden dat de contractuele aanspraak van de failliet op het maatschapsvermogen als geheel prevaleert boven diens goederenrechtelijk aandeel in de maatschapsgoederen. De werkgroep spreekt hierbij niet van ‘economische deelgerechtigdheid’ of ‘beneficiaire aanspraak’, maar gebruikt de term ‘waarde van de vennootschap’. In deze terminologie valt ‘de waarde van het aandeel van een vennoot in de waarde van de vennootschap’ in een gemeenschap van goederen waarin hij gehuwd is,23 en is de uittreedvergoeding gelijk aan ‘het aandeel van de uittredende vennoot in de waarde van de vennootschap per de datum van uittreden’.24 Dit alles maakt de stelling van de werkgroep dat haar stille vennootschap geen afgescheiden vermogen heeft, m.i. onhoudbaar.
Mijn benadering van de beneficiaire aanspraak als een op het afgescheiden vermogen rustende residuele vordering is goed verenigbaar met het oordeel van de Hoge Raad dat de goederenrechtelijke aandelen van een vennoot in tot het vennootschapsvermogen behorende goederen niet vallen in de gemeenschap van goederen waarin hij gehuwd is.25 Volgens mij vallen die aandelen niet alleen buiten de huwelijkse gemeenschap van goederen, maar ook buiten het privévermogen van de echtgenoot/vennoot. Bovendien is mijn benadering goed verenigbaar met de door de Hoge Raad gehuldigde opvatting dat, na ontbinding van de vennootschap, de (gewezen) vennoten tot het liquidatiesaldo gerechtigd zijn in verhouding tot ieders economische deelgerechtigdheid.26
Vermogensscheiding vormt een uitzondering op de paritas creditorum (art. 3:277 BW). Voor voorrang is een wettelijke basis nodig (art. 3:278 BW).27 Het vereiste van een wettelijke basis geldt a fortiori voor goederen die, als onderdeel van een afgescheiden vermogen, integraal buiten het privévermogen van de rechthebbende vallen. Die goederen bieden immers überhaupt geen verhaal voor privéschuldeisers. De vermogensscheiding bij de maatschap berust niet rechtstreeks op de wet,28 maar wel indirect. In het Biek-arrest is zij erkend.
Men zou nog kunnen denken dat de overdracht van een goed aan vennoten van een maatschap als zodanig in deze benadering in strijd komt met het fiduciaverbod (art. 3:84 lid 3 BW). Deze gedachte is m.i. onjuist. Waar het recht vermogensscheiding erkent, en dus verkrijging door de vennoten q.q., komt de strekking van een rechtshandeling gericht op een dergelijke verkrijging niet met het fiduciaverbod in strijd.29