Einde inhoudsopgave
Waarderingsvragen in het ondernemings- en insolventierecht (O&R nr. 107) 2019/5.5.2
5.5.2 Geen entreetoets of noodzaakcriterium
mr. drs. S.W. van den Berg, datum 01-11-2018
- Datum
01-11-2018
- Auteur
mr. drs. S.W. van den Berg
- JCDI
JCDI:ADS614460:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Concept MvT WCO II, 14 augustus 2014, p. 2 en 3. Kritisch over de toename van het aantal maatregelen in dit verband: M.L.H. Reumers, ‘Tijdig ingrijpen bij vennootschappen in financiele moeilijkheden: hoe bevordert men dat?’,Ondernemingsrecht 2015/95; M.L.H. Reumers, ‘The Business Rescue Craze in European Insolvency Law’, Ondernemingsrecht 2017/95.
Concept MvT WCO II, 14 augustus 2014, p. 27 en 28.
Zie hierover: N.W.A. Tollenaar, Het pre-insolventieakkoord (diss.), Deventer: Wolters Kluwer 2016, § 3.6, 8.4, 8.9.4.1 en 10.15.2. Tollenaar stelt dat een uitdrukkelijke toets van de vraag of de schuldenaar in (pre-)insolventie verkeert, en daarmee of er voldoende financiële rechtvaardiging bestaat om crediteuren met dwang te binden, in het WCO II-voorstel ontbreekt. Onder het pre-insolventieakkoord dat hem voorstaat zou dit als algemeen homologatiecriterium (dus achteraf) moeten worden opgenomen.
Concept MvT WCO II, 14 augustus 2014, p. 17.
In het WCO II-voorstel kan de schuldenaar “ter herstructurering van zijn schulden” een akkoord aanbieden (art. 368 WCO II-voorstel). Een entreetoets of noodzaakcriterium is niet voorgeschreven.1 Er is dus geen bepaling die inhoudt dat de schuldenaar moet aantonen dat hij in financiële moeilijkheden verkeert of dreigt te raken. Het WCO II-voorstel bevat niet de voorwaarde dat de schuldenaar zonder het pre-insolventieakkoord zal overgaan tot het aanvragen van het faillissement. De onderliggende gedachte van het pre-insolventieakkoord is om het reorganiserend vermogen te versterken door “ondernemers te stimuleren tijdig hulp te zoeken voor hun eventuele problematische schulden en oplossingen daarvoor buiten faillissement te faciliteren”.2
Als een akkoord is aangeboden kan de rechtbank de behandeling van een verzoek tot faillietverklaring op verzoek van de schuldenaar of een of meer van diens schuldeisers gedurende een redelijke termijn schorsen (art. 3c lid 1 WCO II-voorstel). Deze schorsing wordt niet uitgesproken als zwaarwichtige redenen zich daartegen verzetten, waaronder de situatie dat de schuldenaar in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen. Als een schuldeiser, nadat het akkoord is aangeboden, gedurende de schorsing van het faillissementsverzoek gerechtigd is tot een vordering die opeisbaar is geworden en onvoldaan is gebleven, dient de rechtbank de schorsing van het faillissementsverzoek op verzoek van de schuldeiser onverwijld op te heffen (art. 3c lid 6 sub a WCO II-voorstel).3
Ook later in het proces, bij de mogelijke homologatie van het akkoord door de rechtbank, wordt de financiële status van de onderneming niet getoetst. Er is zowel bij het door de schuldenaar aanbieden van het akkoord als bij homologatie geen toets die ingaat op de financiële status of toestand van de onderneming. De vraag of, en zo ja, in welke vorm, deze voorwaarde eventueel onderdeel moet uitmaken van een pre-insolventieakkoord behandel ik niet.4 Ik ga slechts uit van het WCO II-voorstel zoals dat in augustus 2014 is gepresenteerd en schets hieronder enkele gevolgen daarvan.