Einde inhoudsopgave
Redelijkheid en billijkheid als gedragsnorm (R&P nr. CA6) 2012/1.7
1.7 De redelijke rechter
mr. P.S. Bakker, datum 01-12-2012
- Datum
01-12-2012
- Auteur
mr. P.S. Bakker
- JCDI
JCDI:ADS586126:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Vermogensrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Wiarda 1988, in het bijzonder de pp. 14, 21 en 28-29.
Aldus past de rechter steeds de gedragsnorm toe, waardoor partijen zelf zich ten tijde van hun handelen hebben laten leiden of hadden dienen te laten leiden. Een andere opvatting zou er in wezen op neer komen dat de rechter 'zijn eigen redelijkheid en billijkheid' zou worden, oftewel achteraf iets zou vaststellen, waarvan destijds niet vaststond dat partijen daartoe ook destijds al gehouden waren.
Voor een enigszins andere opvatting zie men Snijders 2001. Aldaar wordt op p. 10 opgemerkt dat 'de eisen van redelijkheid en billijkheid de nadruk leggen op ongeschreven recht, waarbij men veeleer heeft te denken aan toetsing achteraf door de rechter.' Weliswaar nuanceert Snijders deze opmerking even verderop in zijn artikel door te betogen dat de redelijkheid en billijkheid als gedragsnorm en als rechterlijke toetsingsnorm twee kanten van dezelfde medaille vormen, maar gezien zijn zojuist geciteerde opmerking lijkt Snijders niettemin, evenals Hesselink c.s., het primaat aan de redelijkheid en billijkheid als rechterlijke toetsingsnorm te gunnen.
Nieskens-Isphording 1995, p. 71. Cursivering in origineel.
De eisen van redelijkheid en billijkheid maken immers deel uit van het objectieve recht. Zie in deze zin o.a. Hartkamp 2005, nr. 238 en Van der Wiel 2004, p. 182.
Vgl. Hesselink 1999a, p. 404-405 en Wiarda 1988, p. 28-29.
In de voorgaande paragraaf werd duidelijk dat en waarom redelijkheid en billijkheid moeten worden opgevat als een partijen dwingende, in het maatschappelijk gebeuren gewortelde gedragsnorm. In deze paragraaf zal ik ingaan op de vraag of en in hoeverre de redelijkheid en billijkheid mede als beslissingsnorm kunnen worden aangemerkt. Ik licht dit toe als volgt.
De rechter kan worden gezien als prototypisch lid van de rechtsgemeenschap, die blijkens het voorgaande steeds tegelijk ook "gemeenschap van redelijken" is. De rechter symboliseert zowel de (verplichting tot) redelijkheid van partijen als de verantwoordingsplicht van partijen die daarvan de keerzijde vormt. Het afleggen van verantwoording over het eigen gedrag geschiedt ten overstaan van de rechter (als ultieme representant van de rechtsgemeenschap). De rechter toetst het gedrag van partijen aan de hand van de in die gemeenschap vigerende gedragsnorm van redelijkheid en billijkheid. Als de rechter de redelijkheid en billijkheid toepast, is hij derhalve nimmer "lui même sa règle".1 De rechter is niet "zijn eigen redelijkheid en billijkheid", maar past aan de hand van art. 3:12 BW het objectieve recht toe, zoals dit gold ten tijde van het handelen van partijen.2 Slechts in zoverre het gaat om deze toetsing van het gedrag van partijen aan de gedragsnorm van redelijkheid en billijkheid, is dit begrippenpaar tevens als beslissingsnorm aan te merken.3 Met Nieskens-Isphording kan dan ook worden gesteld dat:
"(d)e taak van de rechter (bij het beoordelen van het al of niet in acht zijn genomen van de precontractuele redelijkheid en billijkheid, PSB) geen andere (is) dan achteraf vast te stellen waartoe partijen ten tijde van het onderhandelingsproces verplicht waren en aan afwijking mogelijkerwijs gevolgen te verbinden. Er is sprake van een gedragsregel voor partijen waarmee de beslissingsregel van de rechter als de tweede kant van dezelfde munt verbonden is."4
Het feit dat eerst bij de beoordeling achteraf door de rechter in concreto wordt geformuleerd waartoe partijen destijds in de gegeven omstandigheden gehouden waren, laat in de hier verdedigde visie onverlet dat zij daartoe reeds ten tijde van het gewraakte handelen op grond van het objectieve recht gehouden waren.5 Het aldus tot stand gekomen rechterlijk oordeel is derhalve — dogmatisch bezien — noch subjectief noch discretionair van aard.6