Einde inhoudsopgave
Grensoverschrijdende overgang van onderneming (MSR nr. 69) 2015/7.4.3
7.4.3 Jurisprudentie
Mr. I.A. Haanappel-van der Burg, datum 01-03-2015
- Datum
01-03-2015
- Auteur
Mr. I.A. Haanappel-van der Burg
- JCDI
JCDI:ADS432196:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Europees arbeidsrecht
Arbeidsrecht / Collectief arbeidsrecht
Voetnoten
Voetnoten
Rb. ’s-Gravenhage 9 oktober 1990, KG 1990, 361 (Valkema/Getru), Ktr. Amsterdam 8 augustus 1995, KG 1995, 339 (Chevrolet/Memorex), Ktr. Tilburg 26 juli 2007, JAR 2007/259 m.nt. R.M. Beltzer, Ktr. Zaandam 26 september 2007, JAR 2008/67 m.nt. R.M. Beltzer (Van Willigen/Artemis International), Ktr. Eindhoven 9 september 2008, JAR 2008/271 (Janas/Swedish Match Cigars) en Ktr. Eindhoven 25 juni 2009, LJN: BJ9652.
Ktr. Eindhoven 25 juni 2009, LJN: BJ9652.
Ktr. Eindhoven 17 september 2009, LJN: BJ9676.
In de weinige jurisprudentie die er in Nederland over grensoverschrijdende overgang van onderneming bestaat wordt de overgang van onderneming (meestal impliciet) ondergebracht bij de conflictregel voor individuele arbeidsovereenkomsten.1 De jurisprudentie ziet bijna uitsluitend op de interne werking van de richtlijn overgang van onderneming en het recht dat van toepassing is op de individuele arbeidsovereenkomst valt steeds samen met het recht van de vestigingsplaats van de onderneming. Bij veel werknemers bevinden de werkplek en de vestigingsplaats van de onderneming zich op één en dezelfde plek.
Een uitzondering is de zaak die speelde bij de kantonrechter te Eindhoven.2 In deze zaak was de werknemer in dienst getreden bij Inrofa B.V., toen nog Zincline Building Products International B.V. (‘ZBPI’) geheten. Kennelijk was de werknemer als handelsvertegenwoordiger in Duitsland werkzaam. De activiteiten van ZBPI B.V. zijn in juli 2007 ‘omgezet’ naar Zincline Building Products B.V. te Eindhoven (‘Zincline’). De activiteiten in ZBPI zijn uiteindelijk beëindigd. Alle arbeidsovereenkomsten met ZBPI werden beëindigd en met Zincline opnieuw overeen gekomen. De werknemer heeft uiteindelijk op 14 november 2007 zelf ontslag genomen. De werknemer vordert primair Zincline te veroordelen tot betaling van de gefixeerde schadevergoeding krachtens artikel 7:689 BW, waarin is bepaald dat voor de vaststelling van de gefixeerde schadevergoeding bij handelsvertegenwoordigers rekening gehouden wordt met de in de voorafgaande tijd verdiende provisie en met alle andere ter zake in acht te nemen factoren. De werknemer stelt daartoe dat sprake is geweest van een overgang van onderneming van Inrofa naar Zincline. Omdat Zincline nooit loon heeft willen betalen heeft de werknemer zelf de arbeidsovereenkomst met Zincline moeten opzeggen en uit dien hoofde aanspraak gemaakt op de gefixeerde schadevergoeding. De werknemer vordert subsidiair, voor het geval de overgang van onderneming niet komt vast te staan, veroordeling van Inrofa tot betaling van de gefixeerde schadevergoeding. De Kantonrechter heeft omtrent het toepasselijke recht overwogen:
‘De in onderdeel 2.2. genoemde arbeidsovereenkomst wordt voorts beheerst door Duits recht, nu – zoals door Zincline als Inrofa terecht betoogd – op grond van artikel 6 lid 2 sub a van het EVO-verdrag het recht van het land van toepassing is waar de werknemer ter uitvoering van de overeenkomst gewoonlijk zijn arbeid verricht. Dat dit Duitsland is, is door Zincline onweersproken gesteld.
Een nauwere verbondenheid met een ander land is gesteld noch gebleken. Dat geen sprake is van een rechtskeuze, zoals door [eiser] is betoogd, maakt dit niet anders. Artikel 6 lid 2 EVO-verdrag geldt immers juist in situaties waar geen rechtskeuze is overeengekomen.
Nu [eiser] zijn vorderingen echter heeft gebaseerd op Nederlands recht zal hem de gelegenheid geboden dienen te worden om zijn stellingen nader aan te passen.
Het lijkt voorshands buiten twijfel dat de gestelde overdracht van de onderneming van Inrofa aan Zincline wordt beheerst door Nederlands recht. Zo al sprake is van een geval met internationale verknoping is van een rechtskeuze niet gebleken en is de verknoping met Nederland (zie artikel 4 EVO-verdrag) als land waar de kenmerkende prestatie, de overdracht, moet worden verricht, het sterkst.
In een andere zaak heeft de kantonrechter (Ktr Eindhoven 9 september 2008, JAR 2008/271, LJN BF0793) – zij het impliciet – echter overwogen dat het recht dat de arbeidsovereenkomst beheerst ook de vraag beheerst of sprake is van een overgang van onderneming.
In dit geval zou derhalve ook de vraag of sprake is van een overgang van onderneming moeten worden bezien naar Duits recht, zijnde artikel 613a Bürgerliches Gesetzbuch (BGB).’
De kantonrechter geeft aansluitend een verhandeling over het Duitse Widerspruchsrecht om vervolgens te overwegen:
‘Om redenen van proceseconomie zal de kantonrechter echter eerst bezien of wel een overgang van onderneming aan de orde is. Is dat immers niet het geval dan kan nader onderzoek naar het in onderdeel 4.5.4. gesignaleerde punt (IHB: of een beroep is gedaan op het Widerspruchsrecht) achterwege blijven.
De kantonrechter zal derhalve eerst bezien of sprake is van een (gedeeltelijke) overgang van onderneming als bedoeld in artikel 7:662 e.v. BW (…).’
Uiteindelijk komt de kantonrechter – aan de hand van een zeer uitgebreid feitenrelaas – tot het oordeel dat het voornemen tot een overgang van onderneming er wel was, maar effectuering daarvan achterwege is gebleven. De vorderingen van de werknemer jegens Zincline worden afgewezen. Inrofa heeft daarmee als werkgever te gelden, reden waarom de zaak wordt aangehouden zodat de werknemer zijn vordering kan aanpassen aan Duits recht. De kantonrechter beoordeelt de vordering van de werknemer ter zake van salaris, schadevergoeding, rente en wettelijke verhoging uiteindelijk naar Duits recht.3
De kantonrechter te Eindhoven brengt de overgang van onderneming onder bij het recht dat van toepassing is op de overnameovereenkomst (inmiddels artikel 3 en 4 Rome I-Verordening), zijnde Nederlands recht. Als krachtens Nederlands recht sprake zou zijn geweest van een overgang van onderneming – quod non – dan moesten de gevolgen daarvan volgens de kantonrechter worden beoordeeld volgens het recht dat van toepassing is op de individuele arbeidsovereenkomst, zijnde Duits recht. De kantonrechter koppelt de overgang van onderneming derhalve los van de gevolgen daarvan. In de proeve van een oplossing zal ik in paragraaf 8.3.3 terugkomen op de wenselijkheid van deze constructie. Ik vermoed dat de kantonrechter daartoe is overgegaan omdat de beide B.V.’s in Nederland waren gevestigd, terwijl op de individuele arbeidsovereenkomst Duits recht van toepassing was omdat de werknemer als handelsvertegenwoordiger in Duitsland werkzaam was. Als de kantonrechter de overgang van onderneming had ondergebracht bij het recht dat van toepassing is op de individuele arbeidsovereenkomst had hij krachtens Duits recht moeten oordelen over een overgang van onderneming in Nederland. Deze uitspraak is een mooi voorbeeld van het uiteenlopen van de vestigingsplaats van de onderneming en het recht dat van toepassing is op de individuele arbeidsovereenkomst en tot welke uitkomsten dit kan leiden.