Bescherming van beursvennootschappen door uitgifte van preferente aandelen
Einde inhoudsopgave
Bescherming van beursvennootschappen door uitgifte van preferente aandelen (VDHI nr. 147) 2018/1.3.1:1.3.1 Opzet
Bescherming van beursvennootschappen door uitgifte van preferente aandelen (VDHI nr. 147) 2018/1.3.1
1.3.1 Opzet
Documentgegevens:
mr. R.A.F. Timmermans, datum 01-10-2017
- Datum
01-10-2017
- Auteur
mr. R.A.F. Timmermans
- JCDI
JCDI:ADS348250:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Na dit eerste hoofdstuk, zal ik eerst de preferente beschermingsaandelen in een breder perspectief plaatsen (hoofdstuk 2). Daarmee schets ik de ontstaansgeschiedenis van beschermingsprefs en de plaats van beschermingsprefs in ons vennootschapsrecht en in de maatschappij. Ook komen daarbij de verschillende soorten beschermingsmaatregelen aan de orde en ga ik in op de (economische) bezwaren van beschermingsmaatregelen. Aan bod komt voorts de ontwikkeling waarbij niet- Nederlandse ondernemingen kiezen voor de nv en het gebruik van beschermingsprefs. Ook geef ik een tour d’horizon van het gebruik in een aantal andere landen van met Nederlandse preferente beschermingsaandelen vergelijkbare beschermingsmaatregelen.
Vervolgens besteed ik in hoofdstuk 3 aandacht aan de vraag welke motieven aan het gebruik van beschermingsmaatregelen en beschermingsprefs in het bijzonder ten grondslag liggen en aan wie de bevoegdheid toekomt om beschermingsmaatregelen te treffen. In de kern beogen beschermingsmaatregelen het vennootschappelijk belang te beschermen. Wat dat belang precies inhoudt, wordt in hoofdstuk 3 beschreven. Het publieke of algemeen belang en de vraag of, en zo ja op welke wijze, dat beschermd moet worden, komt in het tweede gedeelte van dit hoofdstuk aan de orde.
Daarna wordt in de hoofdstukken 4, 5 en 6 aandacht besteed aan de vormgeving van beschermingsprefs. Deze hoofdstukken zijn meer juridisch-technisch van aard. Eerst behandel ik in hoofdstuk 4 de statutaire vormgeving van beschermingsprefs en vervolgens ga ik in op de besluitvorming rondom de uitgifte van beschermingsprefs. In het geval van een uitgifte door een financiële onderneming zal een verklaring van geen bezwaar verkregen moeten worden. De procedure rondom deze aanvraag en de gevolgen daarvan voor de effectiviteit van het beschermingsinstrument, komen in een aparte paragraaf in hoofdstuk 4 aan bod. In de praktijk verleent de vennootschap vrijwel altijd een recht tot het nemen van preferente beschermingsaandelen aan de stichting continuïteit, waarmee deze laatste kan bepalen of en wanneer de beschermingsprefs aan haar worden uitgegeven. In hoofdstuk 5 behandel ik de vennootschaps- en verbintenisrechtelijke aspecten van dit optierecht. Hoofdstuk 6 heeft specifiek betrekking op de mogelijkheden om als onbeschermde vennootschap, die niet is voorbereid op een uitgifte van beschermingsprefs en een beleggingsmaatschappij met veranderlijk kapitaal waarvan het bestuur tot uitgifte kan besluiten, beschermingsaandelen uit te geven.
Een belangrijk onderdeel van beschermingsprefs betreft de financiering daarvan door de stichting continuïteit. In hoofdstuk 7 wordt aandacht besteed aan de financiering van de stortingsplicht door een externe bank. Omdat een stichting continuïteit niet over vermogen beschikt om haar functioneren te financieren, zal zij dat van buiten moeten aantrekken. Dit aspect stel ik ook aan de orde in hoofdstuk 7. Omdat de financiering van beschermingsprefs door banken de laatste jaren aan populariteit heeft ingeboet, heb ik onderzoek gedaan naar alternatieve financieringswijzen van de stortingsplicht ter zake van beschermingsprefs. In hoofdstuk 8 stel ik een aantal alternatieve financieringswijzen aan de orde.
De stichting continuïteit vormt de centrale schakel in de beschermingsstructuur en wordt daarom uitgebreid behandeld in de hoofdstukken 9 en 11. In het eerste hoofdstuk wordt de inrichting en het functioneren van de stichting behandeld. Aan bod komt de samenstelling van het stichtingsbestuur en zijn onafhankelijkheid, het functioneren van het stichtingsbestuur in vredestijd en in oorlogstijd, de taken van het stichtingsbestuur en mogelijke aansprakelijkheidsrisico’s van stichtingsbestuurders. Voorts sta ik stil bij de oprichting en ontbinding van de stichting continuïteit. In hoofdstuk 11 schets ik de gevolgen van de biedplicht voor de stichting continuïteit.
Hoofdstuk 10 vormt een juridisch-technisch intermezzo dat gaat over de gevolgen van de registratiedatum voor beschermingsprefs. Centraal staat daar de hiervoor onder paragraaf 1.2 genoemde vraag of de registratiedatum de effectiviteit van de uitgifte van preferente beschermingsaandelen vermindert.
Hoofdstuk 12 vormt het slothoofdstuk, waarin beschreven wordt op welke wijze – al dan niet vrijwillig – de bepalingen rondom preferente beschermingsaandelen uit de statuten van de vennootschap geschrapt kunnen worden, een kwestie waar tot op heden in de literatuur weinig aandacht aan is besteed. Ook komt aan de orde de vraag op welke wijze het uitstaan van de preferente beschermingsaandelen beëindigd kan worden. Kan een aandeelhouder met succes een voorstel tot intrekking van de preferente beschermingsaandelen in stemming brengen in een algemene vergadering? En wat zijn mogelijke alternatieven voor intrekking?
Het onderzoek wordt in hoofdstuk 13 afgesloten met een samenvatting en enkele conclusies. Hoofdstuk 14 vormt een Engelstalige samenvatting en behandelt het beschermingsinstrument op een voor buitenlanders toegankelijke wijze.