Einde inhoudsopgave
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/5.7.0
5.7.0 Introductie
mr. M. de Vries, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. M. de Vries
- JCDI
JCDI:ADS859076:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Barbaix & Verbeke, RW 2012-13/nr. 30, p. 1163, Barbaix & Verbeke, TEP 2013/3, p. 16, Barbaix & Verbeke, in: Comm. Erf., art. 727, p. 11 (online, bijgewerkt tot 26 september 2013), Parl.St. Senaat 2011/12, nr. 5-550/3, p. 10-11 en 14-16 en Parl.St. Senaat 2011/12, nr. 5-550/8, p. 24.
Parl.St. Senaat 2011/12, nr. 5-550/3, p. 14-15 en Casman 2013, p. 7.
Parl.St. Senaat 2011/12, nr. 5-550/3, p. 10-11, Barbaix 2018, p. 428, Barbaix & Verbeke, RW 2012-13/nr. 30, p. 1163 en Casman 2013, p. 7.
Casman 2013, p. 7-8.
Barbaix & Verbeke, RW 2012-13/nr. 30, p. 1163, Barbaix & Verbeke, TEP 2013/3, p. 16, Barbaix & Verbeke, in: Comm. Erf., art. 727, p. 11-12 (online, bijgewerkt tot 26 september 2013), Casman 2013, p. 10 en Parl.St. Kamer 2012/13, nr. 53-2388/002, p. 10-11. Zie hierover ook par. 5.8.
Barbaix 2018, p. 427, Barbaix & Verbeke, RW 2012-13/nr. 30, p. 1163, Barbaix & Verbeke, TEP 2013/3, p. 16 en Barbaix & Verbeke, in: Comm. Erf., art. 727, p. 11-12 (online, bijgewerkt tot 26 september 2013). Zie over de afgeleide onwaardigheid nader par. 5.9.1.1.
Barbaix & Verbeke, RW 2012-13/nr. 30, p. 1163, Barbaix & Verbeke, TEP 2013/3, p. 16, Barbaix & Verbeke, in: Comm. Erf., art. 727, p. 12 (online, bijgewerkt tot 26 september 2013), Parl.St. Senaat 2011/12, nr. 5-550/3, p. 14 en Parl.St. Senaat 2011/12, nr. 5-550/8, p. 4.
Barbaix 2018, p. 427, Barbaix & Verbeke, RW 2012-13/nr. 30, p. 1163-1165, Barbaix & Verbeke, TEP 2013/3, p. 16 en Barbaix & Verbeke, in: Comm. Erf., art. 727, p. 12 (online, bijgewerkt tot 26 september 2013).
Met ingang van 21 januari 2013 is afscheid genomen van het oude artikel 727 Oud BBW. Met het nieuwe artikel 727 Oud BBW, thans artikel 4.6 BBW, is daar een gemoderniseerde bepaling voor teruggekeerd. Artikel 4.6 BBW luidt als volgt:
‘Art. 4.6. Onwaardigheid
§ 1. Onwaardig om krachtens de wet tot de nalatenschap te komen, en dus van de nalatenschap uitgesloten is:
1° hij die als dader, mededader of medeplichtige schuldig is bevonden om op de persoon van de erflater een feit te hebben gepleegd dat zijn dood heeft veroorzaakt, als bedoeld in de artikelen 376, 393 tot 397, 401, 404 en 409, § 4, van het Strafwetboek; zo ook hij die schuldig is bevonden aan de poging om een dergelijk feit te plegen;
2° hij die onwaardig is verklaard omdat hij een in de bepaling onder 1° bedoeld feit heeft gepleegd, of gepoogd heeft te plegen, maar die, omdat hij ondertussen overleden is, voor dat feit niet werd veroordeeld;
3° hij die onwaardig is verklaard omdat hij als dader, mededader of medeplichtige schuldig werd bevonden om op de persoon van de erflater een feit te hebben gepleegd als bedoeld in de artikelen 375, 398 tot 400, 402, 403, 405, 409, §§ 1 tot 3 en 5, en 422bis van het Strafwetboek.
§ 2. De in paragraaf 1, 1°, bedoelde onwaardigheid is een burgerlijke sanctie die uitwerking heeft door het louter feit dat de erfgerechtigde schuldig werd bevonden.
De in paragraaf 1, 2°, bedoelde onwaardigheid is een burgerlijke sanctie die door de rechtbank wordt uitgesproken op vordering van de procureur des Konings.
De in paragraaf 1, 3°, bedoelde onwaardigheid is een burgerlijke sanctie die kan worden uitgesproken door de strafrechter die de erfgerechtigde schuldig bevindt aan een van de daarin vermelde feiten. De strafrechter kan deze burgerlijke sanctie ook uitspreken ten aanzien van hem die schuldig bevonden is wegens de poging om een dergelijk feit te plegen.’
Hoewel de algemene gronden van onwaardigheid behoorlijk zijn uitgebreid, heeft de wetgever vastgehouden aan drie uitgangspunten die ook in het oude recht terug te vinden zijn. Ten eerste zijn de onwaardigheidsgronden nog altijd limitatief en zijn er duidelijk afgebakende criteria die een persoon onwaardig maken. De wetgever heeft bewust niet gekozen voor open normen, zoals die wel bestaan in het testamentaire erfrecht (waar de open norm ‘grove beledigingen’ wordt gebruikt).1 Hiermee wordt enerzijds de rechtszekerheid gewaarborgd en anderzijds een toename van procedures vermeden. Dat klemt te meer volgens de wetgever nu dergelijke procedures geïnitieerd worden door personen die belang hebben bij de onwaardigverklaring van een concurrerende erfgenaam, waardoor persoonlijk gewin de drijfveer kan zijn.2 Verder wil de Belgische wetgever met een strakke afbakening vermijden dat er beoordelingsvragen rijzen, zeker als er gepeild zou moeten worden naar beledigende intenties of interpretaties van de bedoelingen ten aanzien van de erflater.3 Dit leidt ertoe dat bij artikel 4.6 BBW wordt verwezen naar concrete strafbare feiten. Enkel deze strafbare feiten kunnen tot onwaardigheid leiden. Welke rechter het plegen van die strafbare feiten vaststelt en de ruimte die de rechter heeft om daaraan de civiele sanctie van onwaardigheid te verbinden, is bij de drie onwaardigheidsgronden verschillend (art. 4.6 § 2 BBW).4
Een tweede uitgangspunt dat de Belgische wetgever handhaaft, is dat uitsluitend gedragingen rechtstreeks tegen de erflater gepleegd tot onwaardigheid leiden. Hoewel een uitbreiding kort ter sprake is gekomen, is ervoor gekozen de regeling van onwaardigheid vooralsnog niet uit te breiden tot andere hypotheses dan die waarin de feiten rechtstreeks gepleegd worden tegen de persoon van wie men erft. Deze uitbreiding past niet binnen de opzet van de hervorming uit 2012.5 Bij deze hervorming is tevens de nieuwe regeling ingevoerd van de zogenaamde ‘afgeleide onwaardigheid’. Deze afgeleide onwaardigheid doet gedeeltelijk afbreuk aan dit principiële uitgangspunt.6
Het laatste uitgangspunt dat de wetgever vasthoudt, is het idee dat onwaardigheid een civielrechtelijke sanctie is die de erfgerechtigde treft zodra de wettelijke voorwaarden daartoe zijn vervuld, zonder dat de onwaardigheid na het overlijden nog gerechtelijk moet worden gevorderd of vastgesteld in het kader van de vereffening en verdeling van de nalatenschap.7 Hiermee wordt bedoeld dat onwaardigheid na het overlijden niet meer bij de civiele rechter hoeft te worden gevorderd. Bij de eerste twee onwaardigheidsgronden leidt vervulling van de voorwaarden van rechtswege tot onwaardigheid. Voor de derde grond treedt onwaardigheid in zodra de strafrechter dit als bijkomende sanctie heeft uitgesproken. De onwaardigheid staat daarmee vast en de civiele rechter hoeft daar geen uitspraak over te doen na het overlijden van de erflater.
In artikel 4.6 BBW kunnen de feiten die tot onwaardigheid leiden, worden ingedeeld in twee categorieën. De eerste categorie betreft feiten die automatisch leiden tot onwaardigheid bij een strafrechtelijke schuldigbevinding en zelfs in sommige gevallen bij gebrek aan een strafrechtelijke schuldigbevinding. Deze categorie omvat de eerste twee onwaardigheidsgronden (art. 4.6 § 1, 1° en 2° BBW). De tweede categorie betreft andere strafbare feiten die niet automatisch leiden tot onwaardigheid. Hieronder valt de derde onwaardigheidsgrond (art. 4.6 § 1, 3° BBW).8 In de volgende paragrafen worden deze twee categorieën besproken.