De verklaring voor recht
Einde inhoudsopgave
De verklaring voor recht (BPP nr. XVIII) 2015/56:56 Formulering van de vordering
De verklaring voor recht (BPP nr. XVIII) 2015/56
56 Formulering van de vordering
Documentgegevens:
mr. N.E. Groeneveld-Tijssens, datum 23-03-2015
- Datum
23-03-2015
- Auteur
mr. N.E. Groeneveld-Tijssens
- JCDI
JCDI:ADS397097:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Algemeen
Vermogensrecht / Rechtsvorderingen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Asser/Mijnssen, Van Velten en Bartels 5* 2008/113.
Leimgruber 2014, nr. 22.
Baltzer 1980, p. 18.
Bomhoff, NIPR 2004, p. 1-8. Zie ook Zamir/Woolf 2002, nr. 4.151.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De hiervoor besproken rechtspraak biedt weinig houvast voor een criterium aan de hand waarvan kan worden bepaald of een negatieve of een positieve verklaring voor recht wordt gevorderd. Mijnssen, Van Velten en Bartels lijken te impliceren dat het onderscheid tussen de negatieve en de positieve verklaring voor recht aan de hand van de formulering van de vordering kan worden gemaakt.1 In het kader van de vraag welke mogelijke rechtsvorderingen de eigenaar aan zijn eigendomsrecht ontleent, schrijven zij:
‘De eigenaar kan een vordering instellen die ertoe strekt dat de rechter, bij een verklaring voor recht, de omvang van het recht van de eigenaar vaststelt. Dit kan in positieve zin gebeuren wanneer de rechter vaststelt dat de eiser een recht toekomt. Mogelijk is ook dat de verklaring in negatieve zin wordt gegeven, aldus dat de rechter verklaart dat een recht dat een ander beweert op de aan de eigenaar toebehorende zaak te hebben, niet bestaat.’
Leimgruber stelt dat voor het onderscheid tussen de negatieve en positieve verklaring voor recht niet de formulering van de vordering bepalend is.2 Dat volgt ook uit de rechtspraak van het Bundesgerichtshof. In een uitspraak van 25 mei 19543 besliste het Bundesgerichtshof dat de Feststellungsklage positief geformuleerd kan zijn, terwijl sprake is van een negative Feststellungsklage.4 Partijen twistten in dat geval over de vraag of de kosten van het stroomverbruik van de woning voor rekening van de huurder of verhuurder moest komen. De huurder had de kosten al voldaan aan de energiemaatschappij. De verhuurder vorderde een verklaring voor recht dat de aansluitkosten voor stroomgebruik van de woning voor rekening kwamen van de huurder. Dat zou volgen uit de tussen partijen gesloten overeenkomst. Volgens het Bundesgerichtshof moest deze vordering worden gekwalificeerd als een negative Feststellungsklage ondanks de positieve formulering van de vordering. De vordering strekte ertoe, aldus het Bundesgerichtshof, om vast te stellen dat de huurder geen recht had op een vergoeding van de door de huurder reeds betaalde aansluitkosten.
Ook Balzer betoogt dat de negative Feststellungsklage niet aan de hand van de formulering van de vordering kan worden herkend omdat de formulering van de vordering het karakter niet verandert.5 En Bomhoff voegt daaraan toe dat het bij de negatieve verklaring voor recht niet gaat om de formulering van de vordering, maar om negativiteit in relatieve zin:6
‘Het relatieve karakter van negatieve acties wordt duidelijk wanneer men bedenkt dat verdedigende vorderingen niet per definitie het bestaan van een rechtsverhouding hoeven te betreffen. Een vordering die slechts de kwaliteit van een rechtsverhouding ter discussie stelt, heeft hetzelfde verdedigende effect. Zo kan de aanduiding ‘negatieve actie’ niet gereserveerd worden voor gevallen waarin een eiser vastgesteld wil zien dat een overeenkomst vernietigd is, of nooit heeft bestaan. Ook wanneer een eiser wil doen vaststellen dat een subjectief recht van de verweerder een inhoud heeft die beperkter is dan waar deze laatste zich op zou willen beroepen, of dat hij een op hem rustende ‘duty of care’ jegens de verweerder heeft vervuld, is sprake van een negatieve actie.’
Dat de formulering van de vordering niet bepalend is voor het onderscheid tussen de positieve en negatieve verklaring voor recht, blijkt ten slotte uit het hiervoor besproken HR 20 januari 1989, NJ 1989, 375 (Nijs c.s./Ciba-Geigy). De vordering was positief geformuleerd (eisers vorderden voor recht te verklaren dat hun handelwijze rechtmatig was), terwijl de vordering door A-G Strikwerda werd gekwalificeerd als een negatieve verklaring voor recht.