Einde inhoudsopgave
Het besluit van de rechtspersoon (VDHI nr. 162) 2020/V.6.2
V.6.2 Wettelijke en buitenwettelijke definities
mr. K.A.M. van Vught, datum 20-11-2019
- Datum
20-11-2019
- Auteur
mr. K.A.M. van Vught
- JCDI
JCDI:ADS178950:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
De ontbrekende elementen staan in art. 2:311 BW. Vgl. Kamerstukken II 1981, 16 453, nr. 6, p. 6 (MvA Regeling fusie) en 1981/82, 16 453, nr. 11, p. 5 (NEV II Regeling fusie), waaruit bovendien volgt dat het element ‘ontbinding zonder vereffening’, zoals dat voorkomt in art. 4 lid 1 Hercodificatierichtlijn (2011/35/EU), ten onrechte de indruk zou wekken dat de fusie een bijzondere vorm van ontbinding zou zijn. Oftewel: de omschrijving in art. 2:309 BW beoogt vooral de fusie van andere figuren te onderscheiden.
Zie bijv. Schoonbrood & Van Olffen 2011, p. 106, die de toekenning van aandelen – niet opgenomen in de definitie van art. 2:309/334a BW maar in art. 2:311 lid 2/334e BW – als wezenskenmerk van een fusie respectievelijk splitsing zien. Anders: Koster 2011, par. 3 slot.
De redenering die Meijers voor het huwelijk volgt (§ 2), laat zich doortrekken naar de fusie, de splitsing en het besluit. Steeds gaat de wet uit van een specifieke rechtsfiguur waarvoor bepaalde regels gelden. Is die rechtsfiguur niet aan de orde, dan gelden – zo kan worden betoogd – de voor die figuur gestelde regels niet. Ligt geen besluit voor, dan kan van nietigheid op de voet van art. 2:14 lid 1 BW bijvoorbeeld geen sprake zijn. Tekstueel spreekt de wet telkens van een ‘huwelijk’, ‘fusie’, ‘splitsing’ of ‘besluit’ – verwijzingen naar een wettelijke of buitenwettelijke definitie. Een voorbeeld is art. 2:323 lid 2 BW: ‘Een niet door de rechter vernietigde fusie is geldig. [curs. KvV]’ Tussen deze redenering is geen speld te krijgen.
Maar het ligt wat ingewikkelder. De definities die de wet kent, zijn primair bedoeld de verschillende rechtsfiguren van elkaar af te bakenen. Zo onderscheidt de wet tussen de vereniging en de stichting (art. 2:26 en 2:285 BW),1 de erfpacht en de opstal (art. 5:85 en 5:101 BW) alsmede tussen de overeenkomst van opdracht en de arbeidsovereenkomst (art. 7:400 en 7:610 BW). Dikwijls bevatten deze definities immers niet alle kenmerken van die rechtsfiguur, maar onderstrepen ze de kenmerken die de ene van de andere figuur onderscheiden. De omschrijving van de fusie in art. 2:309 BW omvat bijvoorbeeld de elementen ‘twee of meer rechtspersonen’ en ‘vermogensovergang onder algemene titel’, om haar af te bakenen van de splitsing respectievelijk de koop. Andere, toch zeker ook essentiële kenmerken ontbreken: bijvoorbeeld dat de verdwijnende rechtspersonen ophouden te bestaan en dat de bestaande aandeelhouders aandelen in de fusievennootschap verkrijgen.2
Waar geen ‘concurrentie’ aanwezig is van een andere rechtsfiguur, mist bovendien vaak een precieze definitie of is de omschrijving minder verfijnd. Zo ontbreekt in de wet een definitie van het huwelijk en het besluit. Er is immers weinig gevaar van verwarring met het geregistreerd partnerschap, en er is geen figuur die op het besluit lijkt. Dat de wet definities van rechtsfiguren geeft, bewijst dus niet de juistheid van non-existentieredeneringen. Dit geldt temeer nu toepassing van non- existentie, om praktisch hanteerbaar te zijn, juist duidelijkheid eist over de elementen die het wezenlijke van een rechtsfiguur uitmaken – duidelijkheid die de omschrijvingen van de wetgever niet bieden.
Natuurlijk zeggen de wettelijke definities niet alles. Het is immers mogelijk non- existentie aan een buitenwettelijke, speciaal voor non-existentie ontworpen definitie vast te knopen. Dat is dan ook wat Meijers voor het huwelijk doet; als gezegd geeft hij voor de toepassing van zijn non-existentieleer een eigen begrip van die figuur (zie hierboven § 2). Een ideale oplossing is dit niet. De omschrijving die Meijers van het huwelijk geeft,3 valt uit de wettekst en het systeem daarachter zo precies niet af te leiden. De wet stelt meer vormvereisten dan die Meijers in zijn omschrijving noemt – denk onder andere aan de plaats van de huwelijksvoltrekking en de aanwezigheid van getuigen (art. 1:63 BW). Ook de schrijvers die non- existentie van een fusie of splitsing mogelijk achten, trekken de definitie van die rechtshandelingen dikwijls ruimer dan de wet.4 Een wettelijke omlijning van het besluit is zelfs niet voorhanden, en zij valt ook nauwelijks met precisie uit het systeem van de wet op te maken. Voor zover een gezaghebbende omschrijving al voorhanden is, gaat het opstellen van een stipulatieve definitie toch méér buiten het geldend recht om dan dat zij daaruit logisch volgt.