Einde inhoudsopgave
Kiesrecht, verkiezingen en verkiezingscampagnes (SteR nr. 63) 2024/3.4.1
3.4.1 Algemeen
mr. L.S.A. Trapman, datum 19-02-2024
- Datum
19-02-2024
- Auteur
mr. L.S.A. Trapman
- JCDI
JCDI:ADS947897:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Van Dijk 2006, p. 83.
Van Dijk & Vermeulen 2020, p. 689.
Resolutie (2002)3 van het Comité van Ministers van de Raad van Europa (21 februari 2002), Revised Statute of the European Commission for Democracy through Law. Zie voor een meer uitvoerige bespreking van de werkzaamheden van de Venice Commission bijvoorbeeld Jowell 2001 en De Torres 2017.
Op grond van art. 3 lid 2 en 4 Statuut. Zie voor een voorbeeld CDL-AD(2017)025 van de Venice Commission (6-7 oktober 2017), Amicus curiae brief for the European Court of Human Rights in the case of Berlusconi v. Italy.
Van de organen van de Raad van Europa is het vaak de Parlementaire Vergadering die advies vraagt; Van Dijk 2006, p. 88.
In eerste instantie traden 18 van de (destijds) 23 lidstaten toe. Thans zijn 61 landen zijn lid van de Venice Commission. Naast de lidstaten van de Raad van Europa gaat het om landen als Peru, Mexico, Brazilië, de Verenigde Staten en Israël.
Zie daarover De Visser 2015.
Zie over de kruisbestuiving tussen Venice Commission en het EHRM: Van Dijk 2010. De Venice Commission neemt overigens ook de bepalingen van het IVBPR in ogenschouw. Lidstaten van de Venice Commission die niet tevens zijn aangesloten bij de Raad van Europa, zijn immers niet aan het EVRM gebonden, maar hebben wel het IVBPR ondertekend: Vermeulen & Jasiak 2018, p. 216.
Vermeulen & Jasiak 2018, p. 218-219. Dat neemt overigens niet weg dat ook het Hof de activiteiten van de Venice Commission in zijn oordelen in ogenschouw neemt. Zie bijvoorbeeld EHRM 21 februari 2017, ECLI:CE:ECHR:2017:0221JUD004291108 (Orlovskaya Iskra/Russia).
Naast het EHRM spelen verschillende andere organen een belangrijke rol bij de uitleg en toepassing van artikel 3 Protocol 1 EVRM. Daarbij kan ten eerste worden gewezen op het Comité van Ministers en de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa. Beide organen publiceren (niet-bindende) beleidsteksten in de vorm van resoluties, verklaringen en aanbevelingen, waarin zij nader ingaan op de door het EHRM ontwikkelde principes en standaarden en deze toepassen op nieuwe maatschappelijke ontwikkelingen.1 Ten tweede komt, in het bijzonder in het kader van het kiesrecht, groot belang toe aan het werk van de European Commission for Democracy through Law, beter bekend als de Venice Commission, genoemd naar de stad waar zij haar plenaire vergaderingen houdt. De Venice Commission werd opgericht in 1990, tegen de achtergrond van de val van de Berlijnse Muur en in de nadagen van de Sovjet-Unie. Zij moest de van de Sovjet-Unie afgesplitste staten begeleiden in hun ontwikkeling naar volwaardige democratieën en naar een (door veel van deze staten gewenste) toelating tot de Raad van Europa.2
In de loop der jaren heeft de Venice Commission zich ontwikkeld tot het belangrijkste constitutionele adviesorgaan van de Raad van Europa. Het werk van de commissie is niet slechts relevant voor de ‘jonge’ democratieën in Oost-Europa, maar in steeds grotere mate ook voor de ‘oudere’ Europese democratieën alsook voor buiten Europa gelegen landen.3 Volgens haar Statuut heeft de Venice Commission tot doel om het begrip van de wettelijke systemen van de lidstaten te versterken, de rule of law en de democratie te bevorderen en de problemen die bij democratische instituties ontstaan, te onderzoeken4 Om deze doelen te realiseren, staat de Venice Commission een aantal middelen ter beschikking. Zo kan zij optreden als amicus curiae in rechtszaken over grondrechtelijke kwesties die gevoerd worden bij een nationaal constitutioneel hof of bij het EHRM.5 Daarnaast publiceert zij, op aanvraag van lidstaten of van organen van de Raad van Europa, adviezen over wetgeving en wetsvoorstellen van aangesloten lidstaten.6 Ook publiceert de Venice Commission thematische studies, rapporten en richtlijnen. Al deze publicaties ontberen, evenals het werk van het Comité van Ministers en de Parlementaire Vergadering, een bindend karakter, maar genieten wel groot gezag. Eerder dan de lidstaten de les te lezen, tracht de Commission zich op gelijke voet met de landen te plaatsen door met hen in discussie te treden. Toch was de oprichting van de Venice Commission allesbehalve vanzelfsprekend. Angst voor een te grote bemoeienis van andere landen met interne aangelegenheden weerhield een aantal lidstaten er in eerste instantie van om toe te treden tot de Venice Commission.7 Nog altijd bestaat het risico dat adviezen van de Venice Commission tot onbehagen bij de betreffende lidstaat leiden, vooral als de lidstaat zelf niet om advies heeft gevraagd en het oordeel van de commissie negatief uitvalt.8
In haar werk baseert de Venice Commission zich om te beginnen uiteraard op de bindende standaarden van het EVRM en de door het EHRM daaraan gegeven uitleg.9 Daarnaast kan de Venice Commission, gegeven het feit dat haar teksten weliswaar invloedrijk, maar niet bindend zijn, zich echter ook de vrijheid veroorloven om zich op soft law, geïdentificeerde best practices en policy guidelines te baseren. In haar tot individuele lidstaten gerichte adviezen kan de Venice Commission staatspraktijken daarom in zekere mate indringender toetsen dan het EHRM, dat zijn oordeel slechts op de positiefrechtelijke maatstaven van het EVRM mag baseren en daarbij ruimte moet laten voor de beoordelingsvrijheid van de lidstaten.10