Einde inhoudsopgave
Art. 2:11 BW, doorgeefluik van bestuurdersaansprakelijkheid (IVOR nr. 106) 2017/5.4
5.4 De “aansprakelijkheid van een rechtspersoon als bestuurder”
mr. C.E.J.M. Hanegraaf, datum 25-06-2017
- Datum
25-06-2017
- Auteur
mr. C.E.J.M. Hanegraaf
- JCDI
JCDI:ADS302481:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Rechtbank Arnhem 17 augustus 2011, ECLI:NL:RBARN:2011:BR6833.
R.o. 4.12.
Rechtbank Noord-Holland 18 september 2013, ECLI:NL:RBNHO:2013:9458 (Stichting JRP).
Zie onder meer: HR 6 februari 2015, JOR 2015,102 (Rutten c.s/Antea c.s).
Vgl. HR 6 februari 2015, JOR 2015, 102 (Rutten c.s/Antea c.s), r.o. 3.3.3 waar de Hoge Raad verwijst naar HR 5 september 2014, NJ 2015, 21 (RvdW 2014/1014) (Tulip Air) en HR 5 september 2014, NJ 2015, 22 (RCI Financial Services). Zie ook: Gerechtshof Amsterdam 20 december 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:5493 (Achmea Schadeverzekeringen N.V.), r.o. 3.9.
HR 10 januari 1997, NJ 1997, 360 (Staleman/van de Ven). Zie hierover nader: Asser/ Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009, nrs. 446 en 447.
HR 10 januari 1997, NJ 1997, 360 (Staleman/van de Ven).
Dumoulin 2005, par. 7.
Raaijmakers 1981, p. 797.
Zie daarover: Raaijmakers 2005, p. 2.
Zie: Asser-van der Grinten II (de rechtspersoon) (1991), nr. 45a; Glasz, Beckman en Bos 1994, p. 104 e.v. (interne aansprakelijkheid) en p. 119 e.v. (externe aansprakelijkheid); Wezeman 1998, p. 370 e.v.; Raaijmakers 2005, p. 2; Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009, nr. 440 en Zilinsky 2017, p. 13 e.v.
Vgl. Asser-Maeijer 2 III (1994), nr. 337.
Vgl. Huizink, GS Rechtspersonen, art. 2:11 BW, aant. 6.4; Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009, nr. 476.
In de jurisprudentie in het kader van art. 2:11 BW treft men een duidelijke afbakening tot “aansprakelijkheid als bestuurder” aan.
In een aan haar voorgelegde zaak overweegt de Rechtbank Arnhem bijvoorbeeld dat op grond van het bepaalde in art. 2:11 BW de op een rechtspersoon als bestuurder van een andere rechtspersoon rustende bestuurdersaansprakelijkheid doorgetrokken wordt naar de tweedegraads bestuurder.1 Dat artikel veronderstelt derhalve – aldus de rechtbank (in andere bewoordingen) – aansprakelijkheid van de eerstegraads rechtspersoon-bestuurder als bestuurder van de in staat van faillissement verkerende rechtspersoon. Daarvan was in dat geval echter geen sprake. De aansprakelijkheid van de eerstegraads bestuurder berustte immers – aldus de rechtbank – op een andere grondslag, te weten de aansprakelijkheid als oprichter/aandeelhouder voor de volstortingsplicht van art. 2:191 BW in samenhang met art. 2:204a BW.2
In een aan de Rechtbank Noord-Holland voorgelegde zaak van 18 september 20133 was gedaagde een natuurlijk persoon die vierdegraads bestuurder was van een beherend vennoot van een commanditaire vennootschap. Beherend vennoot was Global State Jonathan River Plaza B.V. Enig bestuurder van die beherend vennoot was Global State Investments (Europe) B.V. (“Investments”). De rechtbank oordeelde dat het gedrag van Investments onrechtmatig was. Bovendien oordeelde de rechtbank dat het handelen van gedaagde als indirect bestuurder van Investments zodanig onzorgvuldig was geweest dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. De rechtbank vervolgt met de opmerking dat het verweer dat niet is voldaan aan de vereisten van art. 2:11 BW, omdat noch Investments, noch een andere entiteit een rechtshandeling heeft verricht in de hoedanigheid van bestuurder, niet opgaat. Art. 2:11 BW heeft volgens de rechtbank het oog op de situatie dat de bestuurder van de handelende vennootschap (in dit geval Investments) een rechtspersoon is en strekt ertoe te voorkomen dat natuurlijke personen door tussenschakeling van die rechtspersoon aan bestuurdersaansprakelijkheid zouden ontkomen. Volgens de rechtbank is niet vereist dat Investments zelf als bestuurder van een rechtspersoon handelde. Deze redenering is mijns inziens ietwat merkwaardig. Art. 2:11 BW verlangt namelijk dat er sprake is van (aansprakelijkheid van) een rechtspersoon als bestuurder van een andere rechtspersoon. De rechtbank kon in dit geval komen tot rechtstreekse aansprakelijkheid van gedaagde. Ware dat niet het geval geweest, dan had de rechtbank om tot aansprakelijkheid “via” art. 2:11 BW te komen wel degelijk moeten vaststellen dat Investments en/of een andere rechtspersoon op had (hadden) getreden als bestuurder(s) van een andere rechtspersoon (in dit geval van de beherend vennoot Global State Jonathan River Plaza B.V.) en dat die rechtspersoon-bestuurder(s) als zodanig bestuurdersaansprakelijk was (waren).
De Hoge Raad heeft herhaaldelijk aangegeven dat indien een vennootschap tekortschiet in de nakoming van een verbintenis of een onrechtmatige daad pleegt, uitgangspunt is dat alleen die vennootschap aansprakelijk is voor daaruit voortvloeiende schade.4 Volgens de Hoge Raad is onder bijzondere omstandigheden evenwel naast aansprakelijkheid van die vennootschap, ruimte voor aansprakelijkheid van een bestuurder van de betreffende vennootschap. Voor het aannemen van zodanige aansprakelijkheid is vereist dat die bestuurder ter zake van de benadeling persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt.5 Of daarvan sprake is, hangt af van de omstandigheden van het geval.6 De Hoge Raad acht voor de aansprakelijkheid van bestuurders onder meer bepalend: de aard van de door de rechtspersoon uitgeoefende activiteiten, de in het algemeen daaruit voortvloeiende risico’s, de taakverdeling binnen het bestuur, de eventueel voor het bestuur geldende richtlijnen, de gegevens waarover de bestuurder beschikte of behoorde te beschikken ten tijde van de aan hem verweten beslissingen of gedragingen en het inzicht en de zorgvuldigheid die verwacht mogen worden van een bestuurder die voor zijn taak is berekend en deze nauwgezet vervult.7 Met behulp van deze maatstaf kan maatwerk worden geleverd.8
Raaijmakers is van mening dat art. 2:11 BW alleen geldt voor bestuurdersaansprakelijkheid op grond van art. 2:9 BW.9 De heersende leer is echter dat art. 2:11 BW een (aanzienlijk) ruimere reikwijdte heeft. In het algemeen wordt namelijk aangenomen dat art. 2:11 BW niet slechts betrekking heeft op de aansprakelijkheid van de eerstegraads rechtspersoon-bestuurder tegenover de bestuurde rechtspersoon (“interne aansprakelijkheid”),10 maar ook op de aansprakelijkheid tegenover derden (“externe aansprakelijkheid”).11 Bij bijvoorbeeld de bestuurdersaansprakelijkheid op grond van art. 2:9 BW (aansprakelijkheid jegens de vennootschap wegens onbehoorlijke taakvervulling) en de aansprakelijkheid op grond van artt. 2:138/248 BW (aansprakelijkheid jegens de boedel wegens wanbeleid)12 gaat het om overschrijdingen van bepaalde aan bestuurders gerichte normen, zoals de norm: “bestuurder, u zult uw taak op behoorlijke wijze vervullen”. Daarnaast heeft art. 2:11 BW betrekking op de aansprakelijkheid die voortvloeit uit specifieke wettelijke bepalingen waaruit voor de bestuurder aansprakelijkheid (jegens de rechtspersoon) voortvloeit. Te denken valt aan onder meer – doch niet uitsluitend – de artt. 2:30, 2:50a, 2:69/ 180 lid 2, 2:95 lid 2, 2:98a lid 2-5, 2:98b, 2:98d lid 2, 207a leden 1-3, 2:207d leden 2 en 3, 2:139/249, 2:216 en 2:300a BW.13