Vastgoedtransacties in de Europese btw
Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/7.4.5:7.4.5 Conclusie
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/7.4.5
7.4.5 Conclusie
Documentgegevens:
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291065:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het Hof van Justitie heeft geoordeeld dat het begrip ‘verhuur’ in art. 135 lid 1, onderdeel l Btw-richtlijn een uniebegrip is. De Hoge Raad gaat er daarom terecht van uit dat het begrip ‘verhuur’ in art. 11 lid 1, aanhef en onderdeel b Wet OB richtlijnconform moet worden uitgelegd. Vanuit het oogpunt van de interneutraliteit acht ik een unierechtelijk invulling van het begrip ‘verhuur’ ook wenselijk, omdat hierdoor wordt voorkomen dat de invulling van dit begrip ‘van lidstaat tot lidstaat kan verschillen. Van verhuur van onroerend goed is volgens het Hof van Justitie (en de Hoge Raad) sprake indien aan de volgende drie kenmerken is voldaan:
het verlenen van een exclusief gebruiksrecht op een (bepaald) onroerend goed;
voor een overeengekomen tijdsduur; én
tegen vergoeding.
In Nederland wordt onder de verhuur van onroerende goederen mede verstaan iedere andere vorm waarin onroerende goederen voor gebruik, anders dan als levering, ter beschikking worden gesteld. Door de richtlijnconforme uitleg van het begrip ‘verhuur’ in art. 11 lid 1, aanhef en onderdeel b Wet OB ziet deze verhuuranalogie slechts op diensten die erin bestaan dat de afnemer een gebruikrecht op een bepaald (deel van een) onroerend goed wordt verleend, maar niet voldoen aan de kenmerken van het uniebegrip ‘verhuur’. Omdat art. 135 lid 1, onderdeel l Btw-richtlijn niet toestaat dat de vrijstelling van toepassing is op andere diensten dan de verhuur van onroerend goed, kan de verhuuranalogie de toets van de richtlijnconforme kritiek niet doorstaan. De Nederlandse wetgever dient de verhuuranalogie daarom te schrappen.