Einde inhoudsopgave
De bezoldiging van bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen (IVOR nr. 113) 2018/266
266 Art. 2:391 lid 2 en 5 BW
mr. E.C.H.J. Lokin, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
mr. E.C.H.J. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS371412:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Art. 2:135 lid 1 BW is twee jaar later pas ingevoerd. Over dit artikellid, zie randnummer
Zie hierover uitgebreid randnummer 361 e.v.
Opgemerkt dient te worden dat onder naleving van de Code wordt verstaan dat de vennootschap ofwel handelt conform de desbetreffende bepaling, dan wel motiveert waarom de vennootschap dat niet doet. 100% naleving betekent dus niet dat in 100% van de gevallen conform de desbetreffende bepaling wordt gehandeld (een onderscheid dat in de politieke discussie nog wel eens wordt vergeten).
Naast het openbaar maken van het bedrag van de bezoldiging voor iedere bestuurder in een bepaald boekjaar, is in artikel 2:391 lid 2 BW bepaald dat een beursgenoteerde vennootschap in het bestuursverslag tevens mededeling doet van het beleid van de vennootschap aangaande de bezoldiging van haar bestuurders (en commissarissen) en de wijze waarop dit beleid in het verslagjaar in de praktijk is gebracht. Opmerkelijk is dat deze bepaling over het bezoldigingsbeleid al is opgenomen in de wet voordat de expliciete verplichting tot het hebben van een bezoldigingsbeleid werd opgetekend, zie het later ingevoerde art. 2:135 lid 1 BW.1 Op grond van art. 2:391 lid 2 BW bestond dus al de impliciete verplichting om een bezoldigingsbeleid te hebben en openbaar te maken. Met de invoering van art. 2:135 lid 1 BW is vervolgens een ‘say-on-pay’ over dit beleid geïntroduceerd.2
De reden voor het invoeren van de openbaarmakingverplichting in art. 2:391 lid 2 BW is, dat de hoogte van de bezoldiging per bestuurder sterk kan verschillen. De bij de vennootschap betrokkenen kunnen zich pas een goed oordeel vormen over het gevoerde beleid ten aanzien van de bezoldiging als zij de achtergronden van de eventuele verschillen kennen.3
Specifieke bepalingen die een nadere invulling geven aan art. 2:391 lid 2 BW ontbreken in de wet, maar zijn wel te vinden in de Corporate Governance Code (hierna: de Code). Deze Code heeft op grond van art. 2:391 lid 5 BW een wettelijke basis gekregen. Hierdoor is iedere beursgenoteerde vennootschap verplicht in het bestuursverslag op te nemen of de bepalingen van de code worden nageleefd. Beursgenoteerde vennootschappen zijn op basis van het ’pas toe of leg uit’-principe aldus verplicht aanvullende informatie te verschaffen over de bezoldiging van bestuurders.4