Einde inhoudsopgave
Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW (VDHI nr. 171) 2022/6.8.3
6.8.3 Ontwikkelingen ten aanzien van de positie van een pandhouder
mr. dr. J. van der Kraan, datum 01-01-2022
- Datum
01-01-2022
- Auteur
mr. dr. J. van der Kraan
- JCDI
JCDI:ADS648689:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Voetnoten
Voetnoten
HR 3 april 2015, JOR 2015/140, NJ 2015/361en HR 9 december 2016, NJ 2017/2.
Artikel 3:246 BW.
Zie de hierna aangehaalde jurisprudentie.
HR 18 december 2015, NJ 2016/34. Vgl. HR 11 maart 2005, NJ 2006/362.
Voor schuldeisersbevoegdheden die bij de pandgever blijven rusten zie bijvoorbeeld HR 21 februari 2014, NJ 2015/82.
Krzemiñski 2018, p. 503.
Zie artikel 3:7 BW.
Zie artikel 6:142 BW.
Er zijn diverse auteurs die deze opvatting hebben (of hadden): zie onder meer: Stein, art. 3:228 BW, aant. 2.1.9; Steneker 2012; Rongen 2012, p. 1285; Biemans 2011, hoofdstuk 5 en Verdaas 2008, p. 277 e.v. en 295 e.v.
Houdijk & Breeman 2016 en Krzemiñski 2018, p. 503.
HR 18 december 2015, NJ 2016/34.
HR 18 december 2015, NJ 2016/34.
Verhaal zal als eerst worden gehaald op het vermogen van de schuldenaar, maar er kan ook verhaal worden gehaald op het vermogen van een derde als daar een rechtsgrond voor bestaat.
In gelijke zin: Faber en Vermunt in nr. 3 van hun noot bij HR 18 december 2015, JOR 2016/ 105; Krzemiñski 2018, p. 504 en Houdijk & Breeman 2016.
HR 28 juni 2002, JOR 2002/136, NJ 2002, 447.
HR 3 april 2015, JOR 2015/191, NJ 2015/255.
In de voorgaande alinea’s is uiteengezet dat de Hoge Raad heeft geoordeeld dat een pandhouder niet als verzetsgerechtigde in de zin van artikel 2:404 lid 5 BW kan worden aangemerkt wanneer niet tevens de 403-vordering aan hem is verpand. Ook wordt een pandhouder niet aangemerkt als een schuldeiser zoals bedoeld in artikel 3:245 BW.
Uit de recente ontwikkelingen in de rechtspraak1 valt af te leiden dat de kwalificatie van de rechten die de pandgever heeft om zijn vordering geïnd te krijgen geen rol speelt bij de beantwoording van de vraag of de betreffende bevoegdheden door een pandhouder kunnen worden uitgeoefend. Wat bepalend lijkt te zijn, is of de bevoegdheden strekken tot inning van de vordering of het verhalen van die vordering. De hoofdelijke aansprakelijkheid van zowel de vrijgestelde rechtspersoon als de rechtspersoon die de 403-verklaring deponeerde leidt ertoe dat de schuldeiser uitgebreidere verhaalsmogelijkheden heeft ten aanzien van zijn vordering. Tegen de achtergrond van de recente ontwikkelingen in rechtspraak valt niet in te zien waarom de pandhouder die bevoegdheid niet ook uit zou kunnen oefenen. De mogelijkheid om zowel verhaal te kunnen nemen op het vermogen van de vrijgestelde rechtspersoon als ook op het vermogen van de rechtspersoon die de 403-verklaring deponeerde, vergroot de mogelijkheden om de vordering geïnd te krijgen. Vanuit de positie van de pandhouder bezien, zou het recht om deze verhaalsmogelijkheid van de pandgever aan te kunnen wenden, kunnen worden beschouwd als een recht dat de pandnemer ook toekomt, als voortvloeiend uit zijn recht om de vordering te innen.2
De inningsbevoegdheid van de pandhouder moet ruim worden opgevat en de tendens is dat de pandhouder een steeds sterkere positie krijgt.3 Naast de inningsbevoegdheid, die de pandhouder het recht geeft een betaling in ontvangst te nemen en af te dwingen, zijn er diverse aanvullende bevoegdheden die een pandhouder ten dienste staan. Zo kan een pandhouder een vordering opeisbaar maken door opzegging en ook kan hij – indien dat aan de orde is – incassokosten van de debiteur vorderen Deze aanvullende bevoegdheden die de pandhouder toekomen, hangen samen met zijn inningsbevoegdheid. De bevoegdheden zijn erop gericht verhaal te kunnen halen teneinde zijn gesecureerde vordering voldaan te krijgen. In lijn daarmee kan de pandhouder tevens de aan de verpande vordering verbonden zekerheidsrechten en andere nevenrechten uitoefenen.4 De bevoegdheden die een pandhouder in dat kader toekomen, zijn ruim. Onlangs heeft de Hoge Raad beslist dat een openbaar pandhouder kan worden aangemerkt als een schuldeiser in de zin van artikel 1 lid 1 Fw.5 De pandhouder is aldus – onder omstandigheden – bevoegd om het faillissement van de debiteur van de verpande vordering aan te vragen:
Artikel 1 lid 1 FW
De schuldenaar, die in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, wordt, hetzij op eigen aangifte, hetzij op verzoek van een of meer zijner schuldeisers, bij rechterlijk vonnis in staat van faillissement verklaard.
Hoewel een pandhouder qua bevoegdheden (nog?) niet volledig op één lijn kan worden gesteld met de oorspronkelijke schuldeiser,6 kan een pandhouder uit hoofde van zijn inningsbevoegdheid praktisch gezien bijna alles doen om zijn zekerheid te effectueren.7 Gezien de recente ontwikkelingen in de jurisprudentie, kan de gedachte dat een pandhouder alleen de aan de verpande vordering verbonden rechten die kwalificeren als afhankelijke8 of als nevenrechten9 kan uitoefenen, steeds moeilijker worden verdedigd.10 Naar aanleiding van de recente ontwikkelingen in de rechtspraak wordt betoogd dat een pandhouder mogelijk ook andere aan een verpande vordering gekoppelde zekerheidsrechten kan uitoefenen.11
Uit een arrest van de Hoge Raad12 kan worden afgeleid dat niet de kwalificatie van de aan een pandrecht gekoppelde rechten als uitgangspunt wordt genomen om te bepalen of die rechten door een pandhouder kunnen worden uitgeoefend maar dat in plaats daarvan bepalend is of de uitoefening van bepaalde aan een verpande vordering gekoppelde schuldeisersbevoegdheden zijn gericht op de inning van de verpande vordering en of deze bevoegdheden daarmee vallen onder de mogelijkheden die een pandhouder heeft of moet hebben om verhaal te kunnen halen.
Zo wordt de bevoegdheid van de openbaar pandhouder tot uitoefening van een aan de verpande vorderingen verbonden pandrecht gezien als een uitvloeisel van de inningsbevoegdheid.13 De pandhouder heeft deze bevoegdheid niet omdat het gaat om een afhankelijk recht. Met deze benadering lijkt het erop dat afstand wordt genomen van de opvatting dat een pandhouder zijn positie ontleent aan een partiële overdracht van de vordering en de daaraan gekoppelde rechten.
In een later arrest heeft de Hoge Raad onderscheid gemaakt tussen schuldeisersbevoegdheden die betrekking hebben op de vordering en schuldeisersbevoegdheden die strekken tot het innen van de vordering en verhalen van de vordering op het vermogen van de schuldenaar.14 Schuldeisersbevoegdheden die betrekking hebben op de vordering komen in principe niet toe aan de pandhouder tenzij in de wet anders bepaald. De bevoegdheden die strekken tot het innen van de vordering en het verhalen daarvan komen allemaal wel toe aan de pandhouder. In dat kader mag een pandhouder ook het faillissement van de schuldenaar aanvragen.15
Concluderend kan worden gesteld dat schuldeisersbevoegdheden toekomen aan een pandhouder wanneer die bevoegdheden strekken tot het innen van de vordering of het verhalen daarvan.16 Het lijkt niet bepalend te zijn hoe die bevoegdheden of rechten worden geclassificeerd. De rechten die een pandhouder toekomen kunnen afhankelijke rechten of nevenrechten zijn, maar beslissend is dat niet. Dat brengt met zich dat bijvoorbeeld ook niet-afhankelijke zekerheidsrechten, zoals persoonlijke zekerheidsrechten die strekken tot het innen van de verpande vordering of het halen van verhaal, zouden kunnen worden uitgeoefend door een pandhouder.17
Gezien de recente ontwikkelingen in de jurisprudentie, lijkt de kwalificatie van een 403-vordering als een niet-afhankelijk recht geen beletsel te vormen om door een pandhouder met een pandrecht op een vordering van de vrijgestelde rechtspersoon te worden ingeroepen. Het recht van een pandhouder om een beroep te doen op een 403-verklaring zou, in lijn met de hiervoor geschetste recente ontwikkelingen in de jurisprudentie, voort kunnen vloeien uit het recht van een pandhouder om een vordering te innen en te verhalen op basis van artikel 3:246 lid 1 BW.
Aan de mogelijkheid van een pandhouder met een pandrecht op een vordering op een vrijgestelde rechtspersoon om de rechtspersoon die de 403-verklaring deponeerde aan te spreken, staan de arresten ING/Akzo18 en Bia Beheer19 niet in de weg. In ING/Akzo was niet de vraag of de pandhouder de rechtspersoon die de 403-verklaring deponeerde aan kon spreken maar of hij kwalificeerde als schuldeiser in de zin van artikel 2:404 lid 5 BW. Die bepaling regelt niet de aansprakelijkheid van de rechtspersoon die de 403-verklaring deponeerde maar regelt de mogelijkheid om in verzet te gaan. In Bia Beheer is uitgemaakt dat er in geval van hoofdelijke aansprakelijkheid twee separate vorderingsrechten zijn.