Einde inhoudsopgave
Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW (VDHI nr. 171) 2022/6.4
6.4 Schikking en de vrijstellingsregeling van artikel 2:403 BW
mr. dr. J. van der Kraan, datum 01-01-2022
- Datum
01-01-2022
- Auteur
mr. dr. J. van der Kraan
- JCDI
JCDI:ADS648782:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie Van Kessel 2013, p. 93 e.v.
MvA II art. 6.1.2.3, Parl. Gesch. Boek 6, p. 106. Van oudsher is het een omstreden kwestie of bij hoofdelijke verbondenheid één verbintenis met meer dan één schuldenaar bestaat (de uniteitsleer) dan wel evenveel verbintenissen als er schuldenaren zijn (de pluraliteitsleer). Zie over de historische ontwikkeling van deze discussie: Van Boom 1999, p. 10-13. Ook het huidige BW geeft hierover geen uitsluitsel (T.M. afdeling 6.1.2, Parl. Gesch. Boek 6, p. 95). Hoe dit ook zij, het antwoord op de vraag naar de aard van de verbintenis (of de verbintenissen) kan naar huidig recht in het midden blijven, omdat de wetgever de nadruk heeft gelegd op de vorderingsrechten die de schuldeiser ontleent aan de verbintenis(sen) met de schuldenaren. Voor de rechtsgevolgen van de hoofdelijke verbondenheid is de vraag naar de aard van de verbintenis(sen) dan zonder belang; vgl. Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-I* 2012, nr. 100.
Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-I* 2012, nr. 112 en Van Boom 1999, p. 25-26. De schuldeiser heeft niet per se het laatste woord. Als een hoofdelijke schuldenaar aanbiedt de verschuldigde prestatie te verrichten, dan kan de schuldeiser dat niet afwijzen en nakoming van de ander verlangen. Zie HR 9 januari 1931, NJ 1931/378.
Zie artikel 6:7 lid 2 BW. Hetzelfde geldt wanneer de schuld wordt voldaan door inbetalinggeving of verrekening en wanneer de rechter op vordering van één van de schuldenaren art. 6:60 BW (bevrijding van een verbintenis) toepast, tenzij hij daarbij anders bepaalt (art. 6:7 lid 2, tweede volzin, BW). Artikel 136 Fw geeft een uitzondering voor het geval van betaling door een schuldenaar tijdens het faillissement van een andere schuldenaar. Zie hierover Klaassen 2002, p. 694-697.
Zie artikel 6:10 BW.
Zie artikel 6:12 BW.
Artikel 6:13 BW geeft vervolgens nog een aanvullende regeling van omslag over de overige schuldenaren voor het geval dat verhaal op een schuldenaar niet mogelijk is.
Mogelijk kwalificeert een schikkingsovereenkomst tevens als een vaststellingsovereenkomst.
Vgl. T.M., VV II en MvA II art. 6.2.4.14a, Parl. Gesch. Boek 6, p. 588-590.
Naast schuldvernieuwing bestaan overigens ook andere gevallen van afstand om baat. Zie Asser/ Hartkamp & Sieburgh 6-II* 2013, nr. 314 en 327, zie voetnoot 40.
T.M. art. 6.1.2.3, Parl. Gesch. Boek 6, p. 102. De verbintenis ondergaat een wijziging maar de identiteit blijft behouden.
Zie T.M. art. 6.1.2.3, Parl. Gesch. Boek 6, p. 102. Er bestaat discussie over de vraag wanneer nu precies sprake is van een schuldwijziging. Zie Van Boom die stelt dat schuldwijziging steeds opgaat in de gedeeltelijke kwijtschelding of de schuldvernieuwing (Van Boom 1999, p. 55, voetnoot 25). Anders Van Kessel 2013, p. 95.
Het onderscheid tussen schuldvernieuwing en schuldwijziging kan erg verwarrend zijn. Nagegaan dient te worden of de partijen die de schikkingsovereenkomst sloten zich geheel los wilden maken van de bestaande verbintenis, zie Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-II* 2013, nr. 325. In de Toelichting Meijers valt te lezen dat in twee onderscheiden gevallen van schuldvernieuwing kan worden gesproken. In de eerste plaats is daarvan sprake wanneer partijen ondubbelzinnig overeenkomen dat hun rechtsverhouding uitsluitend is gelegen in de nieuwe overeenkomst. In de tweede plaats is sprake van schuldvernieuwing wanneer de nieuwe overeenkomst een dusdanige afwijkende inhoud of strekking heeft dat deze overeenkomst naar verkeersopvatting niet meer als dezelfde overeenkomst kan worden beschouwd. Te denken valt aan een koopovereenkomst die wordt vervangen door een huurovereenkomst, zie T.M. afd. 6.1.10, Parl. Gesch. Boek 6, p. 482-483. Bepleit is in de literatuur dat slechts een wijziging van de omvang van de schuld niet tot schuldvernieuwing kan leiden. In dat geval is in de regel sprake van (gedeeltelijke) kwijtschelding, zie Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-II* 2013, nr. 325; en Asser/Rutten 4-I 1981, p. 392. Steeds geldt wel dat eerst de bedoeling van partijen duidelijk moet zijn vastgesteld, voordat de kwalificatie kan worden gemaakt, zie Van Kessel 2013, p. 96 e.v.
Zie artikel 7:900 BW e.v. Of sprake is van een vaststellingsovereenkomst wordt bepaald door de wet, niet door partijen, zie HR 26 november 2010, LJN BN6125; Asser/Van Schaick 7-VIII* 2012, nr. 135. Bij een vaststellingsovereenkomst wordt een bestaande rechtsverhouding duidelijk vastgelegd. Schuldvernieuwing is niet per definitie uitgesloten maar is minder aannemelijk, zie Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-II* 2013, nr. 326. Een vaststellingsovereenkomst kan ook een overeenkomst van afstand inhouden, zie artikel 7:901 lid 3 BW. Zie Asser/Van Schaick 7-VIII* 2012, nr. 158 en nr. 159; Van Rossum, nr. 5 en MvT, titel 7.15 en Kamerstukken II 1982/83, 17779, nr. 3, p. 33 en p. 37.
Wanneer een van de hoofdelijk verbonden schuldenaren een schuldvernieuwing of schuldwijziging overeenkomt, die is gericht tot alle schuldenaren dan leidt dit er niet toe dat de overige schuldenaren – zonder daar zelf mee te hebben ingestemd – tot nakoming van de nieuw overeengekomen prestatie gehouden zullen zijn. Wel geldt dat de schuldvernieuwing, die aan alle schuldenaren is gericht, afstand van het oorspronkelijke vorderingsrecht ten opzichte van de overige debiteuren inhoudt. Hetzelfde geldt voor een kwijtschelding, mits die aan alle hoofdelijk schuldenaren is gericht. Zie T.M. art. 6.1.2.3, Parl. Gesch. Boek 6, p. 104).
Uiteraard kunnen schuldenaren wel bevoegd zijn om elkaar te vertegenwoordigen. Dit kunnen zij uitdrukkelijk overeenkomen (volmacht). Ook kan deze bevoegdheid onder omstandigheden voortvloeien uit de wet. Daarvan kan sprake zijn als een van de schuldenaren de belangen van de andere schuldenaren op redelijke gronden behartigt, zie 6:198 BW. Ook wordt wel betoogd dat deze bevoegdheid voort kan vloeien uit artikel 6:8 BW in combinatie met 6:201 BW, zie Van Boom 1999, p. 61-62.
Zie artikel 6:14 BW.
Regres kan worden genomen voor het gedeelte van de oorspronkelijke schuld voor zover dat deel van de schuld een schuldenaar aangaat.
Zie Van Boom 1999, p. 63.
Negatieve gevolgen kunnen er wel indirect zijn, wanneer de schuldenaar die de schikking trof bijna failliet is en wanneer uit hoofde van de schikking nog vermogen van deze schuldenaar wordt onttrokken. Dat zal een succesvol regres verhaal in de weg kunnen staan.
Een situatie waarin er wel een voordeel zal zijn, is de situatie waarbij het schikkingsbedrag lager is dan het bedrag waarvoor de schuldenaar aansprakelijk zou zijn binnen de interne verhouding met de overige schuldenaren en de overige schuldenaren niet meer in staat zijn om de schuldeiser te voldoen en dus ook geen regres meer zullen nemen. Anders Van Kessel, die deze in de praktijk toch soms voorkomende situatie over het hoofd ziet en concludeert dat een schikking, waarbij de andere schuldenaren niet betrokken zijn, nooit een voordeel op kan opleveren. Zie Van Kessel 2013, p. 99 e.v.
Zie uitgebreid en kritisch over de toepassing van artikel 6:14 BW en de risico’s daarvan Van Kessel 2013, par. 5.
Zie r.o. 3.6.3 van het hierna besproken arrest van de Hoge Raad: “De omstandigheid dat de Europese richtlijnen die aan art. 2:403 BW ten grondslag liggen niet spreken van hoofdelijke aansprakelijkheid, maar van het stellen van een garantie, leidt niet tot een ander oordeel. Daargelaten of juist is dat met de term “garantie” een borgtocht is bedoeld, die Europese richtlijnen geven slechts minimumvoorschriften en laten aan de nationale wetgever ruimte voor een verder strekkende aansprakelijkheid (zie de conclusie van de advocaatgeneraal onder 2.9). Blijkens art. 2:403 lid 1, aanhef en onder f, BW heeft de Nederlandse wetgever ervoor gekozen om de in de Europese richtlijnen bedoelde garantie uit te werken in een vereiste van hoofdelijke aansprakelijkheid.” HR 3 april 2015, JOR 2015/191, NJ 2015/255.
HR 3 april 2015, JOR 2015/191, NJ 2015/255; Bartman 2015, p. 806-812; Beckman in Ondernemingsrecht 2015/66, p. 343 en Huiskes 2015, p. 38.
Zie r.o. 3.6.1 en 3.6.2 in HR 3 april 2015, JOR 2015/191, NJ 2015/255; Bartman 2015, p. 806-812; Beckman in Ondernemingsrecht 2015/66, p. 343 en Huiskes 2015, p. 38.
HR 28 juni 2002, JOR 2002/136, NJ 2002/447.
Eerder ging ik in op de problematiek van onduidelijkheden bij het treffen van een schikking waar de groepsvrijstelling in het spel is. Zie hierover Van der Kraan 2015-II.
HR 3 april 2015, JOR 2015/191, NJ 2015/255; Bartman 2015, p. 806-812; Beckman in Ondernemingsrecht 2015/66, p. 343 en Huiskes 2015, p. 38.
Bartman 2015, p. 806-812, par. 6.
De regels van hoofdelijkheid lijken te impliceren dat er sprake is van evenveel zelfstandige vorderingsrechten als dat er schuldenaren zijn. Wanneer een schuldeiser een vordering heeft op een vrijgestelde rechtspersoon en op de rechtspersoon die de 403-verklaring deponeerde, zijn deze vorderingsrechten alleen met elkaar verbonden voor zover de regels van hoofdelijkheid dat voorschrijven. Dat brengt met zich dat wanneer de met de vorderingsrechten corresponderende schuld wordt voldaan, alle vorderingsrechten ten aanzien van die schuld tenietgaan. Wordt een schuld voor een deel voldaan, dan raakt dit alle vorderingsrechten gelijkelijk, voor een even groot deel. Vaak wordt een vordering slechts voor een deel voldaan wanneer partijen tot een schikking komen. In deze paragraaf zal de schikking in samenloop met het 403-regime centraal staan. Het zal duidelijk worden dat de hoofdelijke aansprakelijkheid hier voor ongewenste verassingen kan zorgen als de betrokken partijen niet beducht zijn op de werking van de regels inzake hoofdelijkheid.
In een 403-verklaring dient de rechtspersoon die de betreffende verklaring afgeeft zich hoofdelijk aansprakelijk te verklaren voor schulden van de vrij te stellen rechtspersoon. Dat brengt met zich dat de reguliere regels inzake hoofdelijkheid van toepassing zijn op de verhouding tussen de rechtspersoon die de 403-verklaring deponeert, de vrijgestelde rechtspersoon en de schuldeiser. De toepasselijke wettelijke regels inzake pluraliteit van schuldenaren en hoofdelijke verbondenheid worden via de hoofdelijkheid als het ware geïncorporeerd in de vrijstellingsregeling. Deze regels hebben een bepalende invloed op de verbintenisrechtelijke gevolgen van een 403-verklaring. De toepasselijke regels inzake hoofdelijke verbondenheid en het bestaan van pluraliteit van schuldenaren zijn neergelegd in artikel 6:6 BW tot en met 6:14 BW:
Artikel 6:6 BW
Is een prestatie door twee of meer schuldenaren verschuldigd, dan zijn zij ieder voor een gelijk deel verbonden, tenzij uit wet, gewoonte of rechtshandeling voortvloeit dat zij voor ongelijke delen of hoofdelijk verbonden zijn.
Is de prestatie ondeelbaar of vloeit uit wet, gewoonte of rechtshandeling voort dat de schuldenaren ten aanzien van een zelfde schuld ieder voor het geheel aansprakelijk zijn, dan zijn zij hoofdelijk verbonden.
Uit een overeenkomst van een schuldenaar met zijn schuldeiser kan voortvloeien dat, wanneer de schuld op twee of meer rechtsopvolgers overgaat, dezen voor ongelijke delen of hoofdelijk verbonden zullen zijn.
Artikel 6:7 BW
Indien twee of meer schuldenaren hoofdelijk verbonden zijn, heeft de schuldeiser tegenover ieder van hen recht op nakoming voor het geheel.
Nakoming door een der schuldenaren bevrijdt ook zijn medeschuldenaren tegenover de schuldeiser. Hetzelfde geldt, wanneer de schuld wordt gedelgd door inbetalinggeving of verrekening, alsmede wanneer de rechter op vordering van een der schuldenaren artikel 60 toepast, tenzij hij daarbij anders bepaalt.
Artikel 6:8 BW
Op de rechtsbetrekkingen tussen de hoofdelijke schuldenaren onderling is artikel 2 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 6:9 BW
Iedere hoofdelijke schuldenaar is bevoegd namens de overige schuldenaren een aanbod tot afstand om niet van het vorderingsrecht te aanvaarden, voor zover de afstand ook de andere schuldenaren betreft.
Uitstel van betaling, door de schuldeiser aan een der schuldenaren verleend, werkt ook ten aanzien van zijn medeschuldenaren, voor zover blijkt dat dit de bedoeling van de schuldeiser is.
Artikel 6:10 BW
Hoofdelijke schuldenaren zijn, ieder voor het gedeelte van de schuld dat hem in hun onderlinge verhouding aangaat, verplicht overeenkomstig de volgende leden in de schuld en in de kosten bij te dragen.
De verplichting tot bijdragen in de schuld die ten laste van een der hoofdelijke schuldenaren wordt gedelgd voor meer dan het gedeelte dat hem aangaat, komt op iedere medeschuldenaar te rusten voor het bedrag van dit meerdere, telkens tot ten hoogste het gedeelte van de schuld dat de medeschuldenaar aangaat.
In door een hoofdelijke schuldenaar in redelijkheid gemaakte kosten moet iedere medeschuldenaar bijdragen naar evenredigheid van het gedeelte van de schuld dat hem aangaat, tenzij de kosten slechts de schuldenaar persoonlijk betreffen.
Artikel 6:11 BW
Een uit hoofde van het vorige artikel tot bijdragen aangesproken medeschuldenaar kan de verweermiddelen die hij op het tijdstip van het ontstaan van de verplichting tot bijdragen jegens de schuldeiser had, ook inroepen tegen de hoofdelijke schuldenaar die de bijdrage van hem verlangt.
Niettemin kan hij een zodanig verweermiddel niet tegen deze schuldenaar inroepen, indien het na hun beider verbintenis is ontstaan uit een rechtshandeling die de schuldeiser met of jegens de aangesprokene heeft verricht.
Een beroep op verjaring van de rechtsvordering van de schuldeiser komt de tot bijdragen aangesprokene slechts toe, indien op het tijdstip van het ontstaan van de verplichting tot bijdragen zowel hijzelf als degene die de bijdrage verlangt, jegens de schuldeiser de voltooiing van de verjaring had kunnen inroepen.
De vorige leden zijn slechts van toepassing, voor zover uit de rechtsverhouding tussen de schuldenaren niet anders voortvloeit.
Artikel 6:12 BW
Wordt de schuld ten laste van een hoofdelijke schuldenaar gedelgd voor meer dan het gedeelte dat hem aangaat, dan gaan de rechten van de schuldeiser jegens de medeschuldenaren en jegens derden krachtens subrogatie voor dit meerdere op die schuldenaar over, telkens tot ten hoogste het gedeelte dat de medeschuldenaar of de derde aangaat in zijn verhouding tot die schuldenaar.
Door de subrogatie wordt de vordering, indien zij een andere prestatie dan geld betrof, omgezet in een geldvordering van gelijke waarde.
Artikel 6:13 BW
Blijkt verhaal op een hoofdelijke schuldenaar voor een vordering als bedoeld in de artikelen 10 en 12 geheel of gedeeltelijk onmogelijk, dan wordt het onverhaalbaar gebleken deel over al zijn medeschuldenaren omgeslagen naar evenredigheid van de gedeelten waarvoor de schuld ieder van hen in hun onderlinge verhouding aanging.
Werd de schuld geheel of gedeeltelijk gedelgd ten laste van een hoofdelijke schuldenaar wie de schuld zelf niet aanging en blijkt op geen van de medeschuldenaren wie de schuld wel aanging verhaal mogelijk, dan wordt het onverhaalbaar gebleken deel over alle medeschuldenaren wie de schuld niet aanging, omgeslagen naar evenredigheid van de bedragen waarvoor ieder op het tijdstip van de delging van de schuld jegens de schuldeiser aansprakelijk was.
Ieder der in een omslag betrokkenen blijft gerechtigd het bijgedragene alsnog van hem die geen verhaal bood, terug te vorderen.
Artikel 6:14 BW
Afstand door de schuldeiser van zijn vorderingsrecht jegens een hoofdelijke schuldenaar bevrijdt deze niet van zijn verplichting tot bijdragen. De schuldeiser kan hem niettemin van zijn verplichting tot bijdragen jegens een medeschuldenaar bevrijden door zich jegens deze laatste te verbinden zijn vordering op hem te verminderen met het bedrag dat als bijdrage gevorderd had kunnen worden.
Volgens artikel 6:7 BW heeft een schuldeiser tegenover iedere hoofdelijke schuldenaar een recht op nakoming van de gehele prestatie. Wanneer één van de hoofdelijke verbonden schuldenaren van zijn schuld af wil door middel van het treffen van een schikking met de schuldeiser dan zal hij zich moeten realiseren dat hij ook in een verhouding staat ten opzichte van de andere hoofdelijk schuldenaren. Anders kan hij voor vervelende verrassingen komen te staan.
De term ‘schikking’ kan overigens verwarring scheppen. Er dient onderscheid te worden gemaakt tussen een schuldwijziging of een schuldvernieuwing. Deze verschillende juridische kwalificaties leiden tot verschillen in de onderlinge verhoudingen van de betrokken partijen.1
Uit het samenstel van voormelde bepalingen volgt de hoofdregel dat wanneer een prestatie door twee of meer schuldenaren is verschuldigd, deze schuldenaren ieder voor gelijke delen verbonden zijn (art. 6:6 lid 1 BW). Is een prestatie echter ondeelbaar of vloeit uit wet, gewoonte of rechtshandeling voort dat de schuldenaren ten aanzien van eenzelfde schuld ieder voor het geheel aansprakelijk zijn, dan zijn zij hoofdelijk verbonden (art. 6:6 lid 2 BW). De hoofdelijke verbondenheid van zowel de rechtspersoon die de 403-verklaring deponeerde als de vrijgestelde rechtspersoon vloeit voort uit de eenzijdige 403-verklaring die de rechtspersoon die de 403-verklaring deponeerde heeft afgelegd.
Bij hoofdelijke verbondenheid is het uitgangspunt dat de vorderingsrechten van de schuldeiser jegens ieder van de schuldenaren een zelfstandig karakter hebben.2 Dit brengt met zich dat het lot van het ene vorderingsrecht het andere vorderingsrecht niet beïnvloedt, tenzij uit de wet anders voortvloeit.3 In dat opzicht is artikel 6:7 lid 2 BW een belangrijke bepaling. De schuldeiser heeft de vrijheid om zelf te kiezen welke schuldenaar hij aanspreekt.4 Indien één van de hoofdelijk schuldenaren betaalt, dan zijn de overige schuldenaren in dezelfde mate jegens de schuldeiser bevrijd.5 Wanneer een hoofdelijke schuldenaar de schuldeiser betaalt, kan hij dit op basis van de interne verhouding op de andere hoofdelijke schuldenaar verhalen. Zowel op basis van regres6 als op basis van subrogatie7 kan de hoofdelijk schuldenaar die (een deel van) de schuld heeft voldaan een bijdrage vorderen van zijn medeschuldenaren voor het gedeelte dat ieder van hen in de onderlinge verhouding tussen de schuldenaren aangaat.8
Wordt een schikking getroffen dan doet een schuldeiser geheel of gedeeltelijk afstand van zijn vorderingsrecht jegens de schuldenaar die bij die schikkingsovereenkomst is betrokken.9 Het is van belang om na te gaan hoe die overeenkomst juridisch kan worden gekwalificeerd om te bepalen in welke mate de schuldenaar wordt bevrijd van hoofdelijke verbondenheid. Een schikking kan kwalificeren als schuldwijziging, kwijtschelding of als schuldvernieuwing. Van kwijtschelding is sprake wanneer afstand van een vordering wordt gedaan ‘om niet’.10 Wordt namelijk een nieuwe, andere tegenprestatie verlangd, dan wordt er afstand gedaan ‘om baat’. Er wordt een nieuwe verbintenis aangegaan. Er ontstaat een nieuwe schuld en dus is sprake van schuldvernieuwing.11 Wordt de oorspronkelijke verbintenis niet vervangen door een andere tegenprestatie,12 dan wordt gesproken van een schuldwijziging.13 Of een schikking leidt tot kwijtschelding, schuldvernieuwing of schuldwijziging zal in ieder concreet geval moeten worden beoordeeld. Wanneer een schikkingsovereenkomst op dat vlak niet duidelijk is, zal deze moeten worden uitgelegd. In dat geval spelen de bedoelingen van partijen een belangrijke rol.14
Om de verhouding tussen de hoofdelijk verbonden schuldenaren vast te kunnen stellen, is relevant dat voornoemde analyse wordt gemaakt. Voor die verhouding is het relevant of bestaande verbintenissen tenietgaan of blijven voortbestaan en of de door de schuldenaar geleverde prestatie valt aan te merken als nakoming van de oorspronkelijke verbintenis.
Kwijtschelding en schuldvernieuwing leiden tot het tenietgaan van de oorspronkelijke verbintenis. Die verbintenis kan dan niet meer door de hoofdelijk schuldenaren worden nagekomen. Bij een schuldwijziging is dit niet het geval. De oorspronkelijke verbintenis blijft bestaan (in gewijzigde vorm) en deze kan nog steeds door de hoofdelijk verbonden schuldenaren worden nagekomen. Indien een schikking bestaat uit een gedeeltelijke kwijtschelding, dan gaat de oorspronkelijke verbintenis deels teniet. Wordt het resterende deel voldaan dan zijn tevens alle andere hoofdelijk verbonden schuldenaren voor dat deel bevrijd van hun verlichting jegens de schuldeiser.15 Het feit dat een schikkingsovereenkomst kan kwalificeren als vaststellingsovereenkomst kan een rol spelen bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een schuldvernieuwing of een schuldwijziging.16
Een ander belangrijk aspect bij het treffen van een schikking is de beantwoording van de vraag wie partij zijn bij een schikkingsovereenkomst of namens wie of ten gunste van wie de overeenkomst wordt aangegaan. Om dit te kunnen beoordelen, komt het wederom aan op de uitleg van de overeenkomst. Indien de overeenkomst geen duidelijkheid biedt, zullen de partijbedoelingen moeten worden meegenomen. Een cruciale vraag is dan of de betrokken partijen de schuldvernieuwing of schuldwijziging ook wilden laten gelden ten aanzien van de andere schuldenaren.17
Op basis van artikel 6:9 lid 1 BW is een schuldenaar bevoegd om namens zichzelf en namens de overige schuldenaren een aanbod tot afstand om niet te aanvaarden. Vervolgens geldt de algemene bepaling van artikel 6:160 lid 2 BW, inhoudende dat het aanbod door de overige schuldenaren wordt geacht te zijn aanvaard wanneer de schuldenaren van het aanbod kennis hebben genomen en het niet onverwijld hebben afgewezen. Ten aanzien van schuldvernieuwing en schuldwijziging geldt artikel 6:160 lid 2 BW niet en dus zal een schuldvernieuwing of een schuldwijziging, die zich tevens tot andere hoofdelijk verbonden schuldenaren richt door hen moeten worden aanvaard.18 Is sprake van inbetalinggeving, dan worden de overige schuldenaren daardoor bevrijd op grond van artikel 6:7 lid 2 BW. Aanvaarding is in dat geval weer niet vereist.
Wanneer de schuldvernieuwing of de schuldwijziging niet is gericht tot alle hoofdelijk verbonden schuldenaren, maar slechts tot de schuldenaar die de overeenkomst met de schuldeiser is aangegaan, dan leidt die schuldvernieuwing of die schuldwijziging niet tot een wijziging en/of vermindering van het vorderingsrecht dat de schuldeiser heeft ten opzichte van de overige schuldenaren. Dit vloeit voort uit de hoofdregel dat de vorderingsrechten zelfstandig zijn. Dit uitgangspunt leidt dus slechts uitzondering wanneer bewust overeen wordt gekomen dat de getroffen schikking ook geldt ten opzichte van de overige hoofdelijk verbonden schuldenaren of wanneer de schuldeiser bewust zijn vorderingen op de overige hoofdelijk verbonden schuldenaren vermindert.19 Gebeurt dit niet, dan behoudt de schuldeiser ongeacht de schikking zijn volledige vorderingsrecht jegens de andere hoofdelijk verbonden schuldenaren.
Of een schuldvernieuwing of de schuldwijziging al dan niet is gericht tot alle hoofdelijk verbonden schuldenaren, heeft niet alleen gevolgen voor de verhouding tussen de hoofdelijk verbonden schuldenaren en de schuldeiser. Wanneer een van de hoofdelijk verbonden schuldenaren met de schuldeiser een schikking treft die alleen betrekking heeft op zichzelf, dan is de daarin vervatte afstand of schuldwijziging niet van invloed op de onderlinge verhouding tussen de hoofdelijke medeschuldenaren.20 Hierdoor kan een schuldenaar die tegenover de schuldeiser is bevrijd, nog steeds door de medeschuldenaren worden aangesproken. Zeer waarschijnlijk is dit niet de bedoeling van de schuldenaar die een schikking heeft getroffen met de schuldeiser en dit zal een vervelende verrassing achteraf kunnen vormen. Dit is het punt waar de kwalificatie van de getroffen schikking om de hoek komt kijken. Voor de beantwoording van de vraag voor welk deel van zijn bijdrageplicht de schuldenaar die een schikking trof met de schuldeiser alsnog kan worden aangesproken, dient de schikking te worden gekwalificeerd. Is er sprake van schuldvernieuwing en voldoet de schuldenaar die de schikking trof die nieuwe schuld dan wordt daarmee de oude schuld in het geheel niet gedelgd. De schuldeiser kan de oorspronkelijke vordering nog steeds geheel verhalen op de overige hoofdelijk verbonden schuldenaren die op hun beurt regres kunnen nemen op de schuldenaar die de schikking trof.21 Indien een schuldenaar met een schuldeiser overeenkomt dat de schuldeiser hem de gehele vordering zal kwijtschelden en deze kwijtschelding alleen die schuldenaar aangaat, dan behoudt de schuldeiser de volledige zelfstandige vorderingsrechten ten opzichte van de overige schuldenaren. Wordt de vordering alsnog bij de overige schuldenaren geïncasseerd, dan is ook in die situatie regres mogelijk jegens de schuldenaar die kwijtschelding ontving van de schuldeiser. Komt een van de hoofdelijk verbonden schuldenaren een schuldwijziging overeen, dan geldt eveneens dat dit geen invloed heeft op de vorderingsrechten jegens de andere schuldenaren. Maar wanneer sprake is van een schuldwijziging geldt wel dat, wanneer de gewijzigde prestatie wordt voldaan, dit tot een (gehele of gedeeltelijke) bevrijding leidt van de overige schuldenaren ten opzichte van de schuldeiser. De reden daarvoor is dat die voldoening valt aan te merken als een (eventueel gedeeltelijke) nakoming van de oorspronkelijke verbintenis.22
Vorenstaande leidt tot de volgende conclusies. Een schuldeiser zal gebaat zijn bij een overeenkomst waarbij schuldvernieuwing wordt overeengekomen voor zover deze niet alle hoofdelijk gebonden schuldeisers aangaat. Naast het bedrag dat hij met deze schikking van de schuldenaar met wie hij de schikking trof incasseert, kan hij de overige schuldenaren nog eens voor de gehele oorspronkelijke vordering aanspreken. Bij een schuldwijziging die niet alle hoofdelijk gebonden schuldenaren aangaat, kan de schuldeiser niet méér incasseren dan de oorspronkelijke vordering. Voor schuldenaren die niet bij de schikking zijn betrokken, heeft een schikking in beginsel positieve noch negatieve gevolgen.23 Indien de schuldeiser hen aanspreekt voor een deel van de schuld dat groter is dat hen aangaat dan kunnen zij door middel van regres verhaal nemen op de schuldenaar die een schikking trof. Een schikking waarbij de overige schuldenaren niet zijn betrokken zal voor de schikkende schuldenaar zelden een voordeel opleveren.24 Jegens de schuldenaar zal het schikkingsbedrag voldaan moeten worden en jegens de overige schuldenaren zal hij nog steeds voor het deel op moeten draaien waarvoor hij sowieso al binnen de onderlinge verhouding aansprakelijk was.
Om een goede schikking te treffen, is de beste oplossing om alle hoofdelijk verbonden schuldenaren bij de schikking te betrekken. Indien een schuldenaar toch op individuele basis een schikking met de schuldeiser wenst te treffen en wil voorkomen dat hij later wordt geconfronteerd met een regresvordering, dan biedt artikel 6:14 BW een handreiking. Artikel 6:14 BW geeft aan dat de schuldeiser zich zal verplichten om de overige schuldenaren niet aan te spreken voor het deel van de schuld voor zover dat de schuldenaar aanging met wie hij een schikking heeft getroffen. Deze schuldvermindering dient een ter regresvordering jegens de schuldenaar met wie een schikking is getroffen te voorkomen. Uiteraard moet wel bij het aangaan van de schikking aan deze mogelijkheid worden gedacht en ook dient de schuldeiser deze verplichting na te komen.25
Het moge duidelijk zijn dat niet met een harde regel kan worden vastgesteld wat de gevolgen van een schikking bij hoofdelijke aansprakelijkheid zijn. De inhoud van de schikkingsovereenkomst en de bedoelingen van partijen zijn daarvoor steeds van doorslaggevend belang. Duidelijk is in ieder geval dat schikken bij hoofdelijke verbondenheid nog een behoorlijk ingewikkelde aangelegenheid is. Zonder juridische bijstand kan dat welhaast alleen bij toeval goed gaan. Hoofdelijk verbonden schuldenaren zullen zich de gevaren van schikken zelden realiseren. Schuldenaren die zich niet eens bewust zijn van het feit dat er sprake is van hoofdelijke aansprakelijkheid zullen al helemaal niet snel bij deze problemen stilstaan. Ook hier schuilt wederom een situatie van onduidelijkheid die wordt veroorzaakt door de hoofdelijke aansprakelijkheid die wordt verlangd in het kader van de groepsvrijstelling op basis van artikel 2:403 lid 1 sub f BW. In de praktijk wordt deze hoofdelijke aansprakelijkheid vaker aangezien voor een garantie of een borgstelling, waarbij de vordering op de vrijgestelde rechtspersoon wordt gezien als een hoofdvordering en de mogelijkheid om de rechtspersoon die de 403-verklaring deponeerde aan te spreken wordt gezien als de daaraan gekoppelde zekerheid.
In de praktijk loopt het treffen van een schikking in situaties waarin de groepsvrijstelling is toegepast dan ook meer dan eens onbedoeld fout af. De regels inzake hoofdelijkheid, zoals hiervoor besproken, worden onverkort toegepast. Dat een 403-verklaring een waarborgfunctie heeft, doet daaraan niets af. Ook het argument dat de Europese regelgeving in het kader van de groepsvrijstelling van een garantstelling spreekt en niet van hoofdelijke aansprakelijkheid, zal niet baten.26 Een goed voorbeeld van deze problematische materie geeft het arrest van de Hoge Raad van 3 april 2015 inzake Bia Beheer.27
Bia Beheer BV (‘Bia Beheer’) was de moedervennootschap van Inalfa Mastertools BV (‘Inalfa’). Inalfa had een overeenkomst gesloten met Lentink Metaalwarenfabriek BV (‘Lentink’). Zowel Bia Beheer als Inalfa waren failliet verklaard. In het verleden waren Mastertools en Lentink overeengekomen dat Inalfa een trekstempel (persgereedschap) zou vervaardigen voor Lentink. Deze trekstempel wordt geproduceerd, maar blijkt niet goed te werken. Tussen Lentink en Inalfa ontstaat een juridisch geschil over de gebrekkige nakoming en de daardoor geleden schade. Lentink betrekt daarbij tevens Bia Beheer, omdat Bia Beheer een 403-verklaring heeft afgegeven voor haar dochtervennootschap Inalfa. Op basis van die 403-verklaring is Bia Beheer hoofdelijk aansprakelijk voor de schulden van Inalfa die voortvloeien uit de door Inalfa met Lentink gesloten overeenkomst. Wanneer Inalfa reeds failliet is verklaard, acht Lentink het wijs om de zaak zo spoedig mogelijk te schikken. Lentink treft met de curator van Inalfa een schikking. De curator in het faillissement van Inalfa en Lentink komen overeen dat Lentink afziet van haar vordering op Inalfa tegen een eenmalige betaling van 25.000 euro. De curator van Bia Beheer is echter niet bij deze schikking betrokken. Lentink handhaaft vervolgens de oorspronkelijke vordering (waarop wel 25.000 euro in mindering wordt gebracht) jegens Bia Beheer. De curator van Bia Beheer voert aan dat Lentink met de schikking tevens afstand heeft gedaan van haar vordering op Bia Beheer. De curator in het faillissement van Bia Beheer voert voorts aan dat de 403-vordering dekt tot zekerheid van de hoofdvordering die Lentink op Inalfa had. Nu die vordering teniet is gegaan, kan Bia Beheer ook niet meer tot betaling worden aangesproken. De Hoge Raad overweegt daartoe onder meer het volgende:28
“3.6.1. Aan de onderdelen 2, 3 en 4 ligt het standpunt ten grondslag dat de hoofdelijke aansprakelijkheid van een moedermaatschappij op grond van een 403-verklaring niet verder gaat dan een aansprakelijkheid voor verplichtingen van de vrijgestelde groepsvennootschap voor zover en voor zolang die verplichtingen nog daadwerkelijk bestaan. Volgens de onderdelen vloeit dit voort uit de aard en strekking van een 403-verklaring in de context van de wet. Ook de Europese richtlijnen die aan art. 2:403 BW ten grondslag liggen, spreken slechts van garantstelling door de consoliderende vennootschap. Voor het onderhavige geval betekent dit volgens de onderdelen dat de hoofdelijke aansprakelijkheid van Bia Beheer na de door Lentink met mr. Gerrits q.q. getroffen dading zich slechts uitstrekt tot de door de dadingsovereenkomst en finale kwijting beperkte schuld van € 25.000.
3.6.2. In het hiervoor in 3.5 overwogene ligt besloten dat de onderhavige 403-verklaring volgens het hof niet meer of anders inhoudt dan dat Bia Beheer zich hoofdelijk aansprakelijk heeft gesteld voor de uit rechtshandelingen van Mastertools voortvloeiende schulden. In lijn met hetgeen het hof heeft overwogen, heeft de Hoge Raad bepaald dat hoofdelijke aansprakelijkheid, ook die in het kader van art. 2:403 BW, niet op één lijn kan worden gesteld met borgtocht.29 Het door de klachten verdedigde standpunt stuit hierop af. In verband met de hoofdelijke aansprakelijkheid van Bia Beheer zijn de art. 6:7 e.v. BW van toepassing, hetgeen meebrengt dat haar aansprakelijkheid berust op een zelfstandige verbintenis jegens Lentink, waarvan zelfstandig nakoming kan worden gevorderd. In dit verband is van belang dat het middel niet opkomt tegen het in rov. 4.16.1 besloten liggende oordeel van het hof dat de door Lentink en mr. Gerrits q.q. getroffen dading niet meebrengt dat Lentink op de voet van art. 6:9 lid 1 BW afstand heeft gedaan van haar vorderingsrecht jegens Bia Beheer. Zoals het hof vervolgens heeft overwogen, heeft deze dading ingevolge art. 6:7 lid 2 BW slechts tot gevolg dat de schuld van Bia Beheer is verminderd met het door mr. Gerrits q.q. betaalde bedrag van € 25.000. Aan een en ander heeft het hof in de slotzin van rov. 4.16.1 terecht de conclusie verbonden dat het verweer van mr. Eikendal q.q. faalt.”
Zoals hiervoor uiteen is gezet, is het treffen van een goede schikking bij hoofdelijke aansprakelijkheid werk voor specialisten omdat de materie complex kan zijn. Bij hoofdelijke aansprakelijkheid in het kader van de vrijstellingsregeling van artikel 2:403 BW komt daar nog bij dat de zekerheid die een 403-verklaring biedt, de 403-vordering, vaak als een afhankelijk recht wordt beschouwd. Niet steeds staat helder op het netvlies dat sprake is van zelfstandige en van elkaar onafhankelijke vorderingsrechten. Dat is wellicht geen accurate perceptie, maar gezien de achtergrond en de ratio van de vrijstellingsregeling valt die misvatting wel te begrijpen.30
Het arrest inzake Bia Beheer31 is niet voor niets kritisch ontvangen. Zo schrijft Bartman onder meer:
“Zet men zo alle praktische bezwaren die kleven aan hoofdelijkheid, als bedoeld in artikel 6:7 BW, in verband met de 403-verklaring op een rijtje, dan komt de wijze waarop de Hoge Raad in het Bia Beheer-arrest de zaak afdoet toch wel erg mager over. Hoge Raad noch advocaat-generaal gaat inhoudelijk op die bezwaren in, terwijl de advocaatgeneraal in zijn conclusie de vele kritische geluiden in de rechtsliteratuur van de afgelopen twaalf jaar wel degelijk signaleert. Hij doet er vervolgens echter niets mee.”32
Faber en Vermunt schrijven onder meer:
“Ook in het onderhavige arrest kiest de Hoge Raad voor deze benadering. Een schuldeiser van de dochtermaatschappij heeft derhalve de keuze of hij voor de betaling van zijn vordering de dochtermaatschappij dan wel de moedermaatschappij aanspreekt, met dien verstande dat nakoming door de een ook de ander bevrijdt (vgl. art. 6:7 BW). Van enigerlei subsidiariteit, zoals het geval is bij borgtocht (vgl. art. 7:855 lid 1 BW), is geen sprake. De door de Hoge Raad gemaakte keuze achten wij minder gelukkig. In de onderlinge verhouding tussen de moedermaatschappij en de dochtermaatschappij staat vast dat de schuld louter de dochtermaatschappij aangaat. Met een subsidiair verhaalsrecht van de schuldeiser jegens de moedermaatschappij wordt voldoende gecompenseerd dat schuldeisers die contracteren met de dochtermaatschappij, wegens het ontbreken van een eigen jaarrekening geen inzicht hebben in de financiële situatie van de dochtermaatschappij.”
Beckman schrijft naar aanleiding van dit arrest onder meer:
“Omdat thans bij de Tweede Kamer een wetsvoorstel tot aanpassing van titel 9 Boek 2 BW aan de EU-richtlijn jaarrekeningen aanhangig is, is er nu het geëigende moment om tevens de regeling van art. 2:403 BW aan te passen waardoor de inhoud ervan meer overeenkomt met het daarover bepaalde in die richtlijn onder gelijktijdige opheffing van de vele aan art. 2:403 BW verbonden uit de doctrine en jurisprudentie blijkende onduidelijkheden.”
De afsluitende conclusie van deze paragraaf is in lijn met deze commentaren dat het treffen van een schikking waarbij een 403-vordering in het spel is eenvoudig voor onduidelijkheden kan zorgen. Deze onduidelijkheden worden veroorzaakt door de hoofdelijke aansprakelijkheid op basis waarvan meerdere vorderingsrechten worden gecreëerd. De regels inzake hoofdelijke aansprakelijkheid maken schikkingen erg gecompliceerd. Zowel de praktijk worstelt daarmee en de geleerde literatuur is uiterst kritisch over deze ongelukkige situatie.