Einde inhoudsopgave
Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker (R&P nr. CA18) 2018/4.2
4.2 Literatuur en rechtspraak: de bezitter als hoofdregel, de bedrijfsmatige gebruiker als uitzondering
mr. A. Kolder, datum 16-03-2018
- Datum
16-03-2018
- Auteur
mr. A. Kolder
- JCDI
JCDI:ADS301649:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
Klaassen 1991, p. 85, 86 en 89; Schoonbrood-Wessels 1991, p. 791-792; Sterk 1994, p. 262; Tjittes 1995, p. 276; Oldenhuis, GS Onrechtmatige daad, art. 6:173, aant. 7.1.1, alsmede art. 6:174, aant. 131.1 en art. 6:179, aant. 71; Spier e.a. 2015/130; Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-IV 2015/229, 238 en 256; Brahn/Reehuis 2015, p. 387; Bauw 2015, p. 15, 25; Tjong Tjin Tai 2011, p. 2268; Pitlo/Cahen 2002, p. 172.
Zie bijvoorbeeld Hof Den Bosch 20 april 1998, NJ 1999/35 (Gemeente Tilburg/De Kok); Rb. Utrecht 20 oktober 2010, ECLI:NL:RBUTR:2010:BO1670 (Gebrekkige kade) en Hof Den Haag 15 juli 2003,VR 2004/107 (TU Eindhoven/Donders).
Aan de orde was de aansprakelijkheid voor dieren ex art. 6:179.
HR 1 april 2011, NJ 2011/405, m.nt. Tjong Tjin Tai (Paard Loretta), r.o. 3.3.
Niet uit te sluiten is dat de Hoge Raad is geïnspireerd door de terminologie uit Pitlo/Cahen 2002, p. 172.
In dezelfde zin is HR 29 januari 2016, NJ 2016/173, m.nt. Hartlief (Paard Imagine), r.o. 3.8.
Conclusie sub 2.1. Van gelijke strekking waren overigens al de woorden van A-G Huydecoper in zijn conclusie sub 15 voor HR 26 november 2010, NJ 2010/636 (DB/Edco), een arrest dat kort voor het Loretta-arrest werd gewezen en draaide om de verhouding tussen de de aansprakelijkheid van de bezitter en bedrijfsmatige gebruiker van een opstal (art. 6:174 jo. 181). Zie par. 7.6.5.1.
Verheij 2015, p. 122, spreekt van een ‘verplaatsing’ van aansprakelijkheid; Bauw 2015, p. 15, spreekt van een ‘verschuiving’ van aansprakelijkheid.
O.a. Hof Den Bosch 17 mei 2016, JA 2016/106 (Paard Dika); Rb. Oost-Brabant 27 februari 2014, JA 2014/59, m.nt. Kolder (Beleren paard en bezitter); Rb. Arnhem 20 april 2011, ECLI:NL: RBARN:2011:BQ3915 (Beleren paard). Zie ook par. 3.3.3.1.
In de wetenschappelijke beschouwingen over de aansprakelijkheid voor de in art. 6:173, 174, 179 bedoelde zaken werd het systeem van de wet van meet af aan aldus opgevat, dat de wetgever de bezitter als centrale figuur heeft willen bestempelen. De aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker uit art. 6:181 werd geacht op dit ‘uitgangspunt’ of ‘beginsel’ een ‘uitzondering’ te maken. Ook nadien is de doctrine de aansprakelijkheid van de bezitter als (systematische) hoofdregel blijven zien, die uitzondering lijdt in geval van bedrijfsmatig gebruik in de zin van art. 6:181.1 De feitenrechtspraak vertoont hetzelfde beeld. Een voorbeeld biedt Rb. Utrecht 16 januari 2008, JA 2008, 38 (Ontbreken traptrede):
‘Het beginsel dat op de bezitter van een gebrekkige opstal de kwalitatieve aansprakelijkheid van artikel 6:174 BW rust, lijdt ingevolge artikel 6:181 BW uitzondering als de opstal wordt gebruikt in de uitoefening van een bedrijf.’ (curs. AK)
Ook in de lagere rechtspraak wordt de aansprakelijkheid voor zaken alom geacht primair te rusten op de bezitter, ten opzichte waarvan de aansprakelijkheid van art. 6:181 als een ‘uitzonderingssituatie’ wordt beschouwd.2 Inmiddels volgt uit HR 1 april 2011, NJ 2011/405, m.nt. Tjong Tjin Tai (Paard Loretta) dat ook de Hoge Raad van opvatting is dat de aansprakelijkheid steeds in eerste instantie op de bezitter rust,3 waarop art. 6:181 een uitzondering vormt. De Hoge Raad spreekt in zijn kernoverweging namelijk tot twee keer toe ervan dat art. 6:181 een ‘verlegging’ van aansprakelijkheid van de bezitter naar de bedrijfsmatige gebruiker bewerkstelligt.4 Hieraan liet de Hoge Raad nog de volgende vooropstelling voorafgaan:
‘Indien schade wordt aangericht door een dier is ingevolge art. 6:179 (…) de bezitter van het dier voor die schade aansprakelijk. Wordt het dier echter gebruikt in de uitoefening van het bedrijf van een ander, dan rust deze risicoaansprakelijkheid ingevolge art. 6:181 niet op de bezitter, maar op degene die het bedrijf uitoefent.’
Hieruit volgt dat ook de Hoge Raad de bezitter als centrale figuur ziet. Is art. 6:181 toepasselijk, dan wordt de aansprakelijkheid door deze bepaling van de bezitter naar de bedrijfsmatige gebruiker ‘verlegd’.5 Treffend is nog dat de Hoge Raad zijn kernoverweging als volgt afrondt:
‘Ten slotte wordt nog aangetekend dat bij de beantwoording van de vraag of de aansprakelijkheid van art. 6:179 niet op de bezitter van het dier rust, maar – ingevolge art. 6:181 – op degene die het bedrijf uitoefent waarin het dier wordt gebruikt, niet van belang is of degene die dit bedrijf uitoefent bezitter dan wel houder van het dier is (…).’
Ook waar de Hoge Raad aanwijzingen geeft voor de inhoudelijke toepassing van art. 6:181, wordt geredeneerd vanuit de bezittersaansprakelijkheid als vertrekpunt. Toepasselijkheid van art. 6:181 brengt volgens de Hoge Raad met zich dat, anders dan te doen gebruikelijk, de aansprakelijkheid niet op de bezitter rust.6 Hiermee volgt de Hoge Raad A-G Langemeijer, die in zijn conclusie voor het Loretta-arrest meende dat art. 6:181 in de voorliggende kwestie de vraag aan de orde stelde of de eigenaar:
‘van zijn wettelijke aansprakelijkheid als bezitter van het dier op grond van art. 6:179 BW is bevrijd doordat het paard ten tijde van het ongeval door [de manege] werd gebruikt in de uitoefening van haar bedrijf.’7
Ook in de visie van Langemeijer valt te herkennen dat de bezittersaansprakelijkheid als uitgangs- of vertrekpunt heeft te gelden, waarop art. 6:181 in bepaalde gevallen een uitzondering vormt.
De in het Loretta-arrest door de Hoge Raad gebezigde term ‘verlegging’ van aansprakelijkheid, is inmiddels omarmd in de nadien over art. 6:173, 174, 179 en 181 verschenen literatuur8 en rechtspraak.9 Telkens valt daarin het denkschema ‘de bezitter is aansprakelijk, tenzij’ te herkennen. Samenvattend geldt dat in de literatuur en rechtspraak eensgezindheid bestaat over de onderlinge hiërarchie tussen de bezitter uit art. 6:173, 174 en 179 enerzijds en anderzijds de bedrijfsmatige gebruiker uit art. 6:181. De aansprakelijkheid rust in beginsel steeds op de bezitter, op welk uitgangspunt de aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker een uitzondering maakt. En wel in die zin dat wanneer art. 6:181 toepasselijk is, de bezitter van de in art. 6:173, 174 en 179 neergelegde aansprakelijkheid is bevrijd door een ‘verlegging’ daarvan naar de bedrijfsmatige gebruiker.