Einde inhoudsopgave
Artikel 6 EVRM en de civiele procedure (BPP nr. 10) 2008/4.3.2.1
4.3.2.1 Het begrip (openbare) terechtzitting
Mr. P. Smits, datum 06-03-2008
- Datum
06-03-2008
- Auteur
Mr. P. Smits
- JCDI
JCDI:ADS301324:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
HR 9 april 1954, NJ 1954, 309.
Zie Akkermans (1992), p. 1063.
Cleveringa (1968), p. 7-8. Zijn opvatting dat verzoekschriftprocedures in dit verband buiten beschouwing gelaten moeten worden, moet als verouderd worden beschouwd.
Deze strekking omschreef Cleveringa als 'waarborg tegen partijdigheid, ongenoegzaamheid en willekeur'; de openbaarheidsvoorschriften 'dringen tot waarachtigheid en gedegenheid en voorkomen het gevaar van laster als zou het bij enige berechting niet zuiver zijn toegegaan'.
Thans bepaalt art. 254 lid 2 Rv dat de voorzieningenrechter tevens kan bevelen dat de terechtzitting op een andere plaats dan in het gerechtsgebouw wordt gehouden.
Wat de getuigenverhoren betreft is thans met zoveel woorden in art. 166 lid 3 Rv bepaald dat deze geschieden ter terechtzitting.
Art. 201 lid 4 Rv bepaalt voorts dat ter gelegenheid van een plaatsopneming en bezichtiging getuigen ter plaatse gehoord kunnen worden en dat de vierde paragraaf van afdeling 9, Boek 1 Rv (de afdeling der getuigengehoren) daarop - behoudens art. 170 Rv betreffende de oproeping der getuigen - van toepassing is. Enige twijfel zou kunnen zaaien art. 201 lid 2 Rv. Men zou daarin een tegenstelling kunnen lezen tussen de plaatsopneming en de bezichtiging enerzijds en de 'terechtzitting ' anderzijds. Een redelijke uitleg van deze bepaling brengt echter met zich dat de plaatsopneming en bezichtiging óók als terechtzitting bestempeld moeten worden, en wel als 'terechtzitting ter instructie van de zaak'.
Van Zwieteren (1995), p. 457.
Zij het dat de rechtszalen daardoor nu niet opeens zullen volstromen. Zou dat wel zo zijn, dan zou een veelvuldiger beroep op de uitzonderingsgronden van openbaarheid en/of een grotere vlucht in de particuliere rechtspraak daarvan het voorzienbaar gevolg kunnen zijn.
Wat onder een terechtzitting moet worden verstaan blijft naar Europese jurisprudentie in het ongewisse. Er zijn geen uitspraken voorhanden waaruit dit begrip, laat staan voor de civiele procedure, duidelijk wordt. De beschikbare Europese rechtspraak ziet slechts op deelvragen, zoals of in het voorliggende geval een schending heeft plaatsgevonden van het recht op een 'public hearing' of onder welke omstandigheden van dit recht door partijen afstand kan worden gedaan. Maar de initiële vraag wat een hearing/terechtzitting nu is, blijft liggen.
In de Nederlandse civiele rechtspraak is deze vraag wel eerder aan bod gekomen. De Hoge Raad overwoog in 1954 dat het woord terechtzitting alleen betekende een door een (meervoudige of enkelvoudige) kamer der rechtbank gehouden terechtzitting en niet ook een getuigenverhoor, plaatshebbend voor een daartoe door de rechtbank aangewezen rechter-commissaris.1 Asser2 meende dat waarschijnlijk was dat de Hoge Raad thans nog zijn standpunt uit 1954 'in het algemeen' zal innemen. De vraag is of dat juist is. Consequentie van deze rechtspraak zou zijn dat het openbaarheidsbeginsel slechts in een beperkt aantal gevallen toegepast zou behoeven te worden. Overigens meende Asser dat inlichtingen- en schikkingscomparities voor een rechter-commissaris wél als terechtzitting moeten worden aangemerkt en dat, ook al zou men dit niet menen, toch algemeen mag worden aangenomen dat dergelijke verhoren openbaar zijn.
Is het standpunt van de Hoge Raad uit 1954 heden ten dage nog als geldend recht te beschouwen? Laten wij te rade gaan bij andere bronnen, zoals wetsgeschiedenis en (overige) literatuur.
Volgens de wetsgeschiedenis van art. 121 Gw heeft de term 'terechtzittingen' betrekking op de zittingen van de gerechten behorende tot de rechterlijke macht.3 Dit brengt ons niet veel verder bij de beantwoording van de vraag wat terechtzittingen dan wel zijn.4Art. 27 Rv en art. 4 Wet RO bieden evenmin uitkomst. De artikelen zeggen niet wat een terechtzitting is.
Op grond van een analyse van de tweede afdeling van de eerste titel van het eerste Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (oud) en met name op grond van een analyse van de wetsgeschiedenis van de art. 18 (oud) Rv en art. 20 (oud) Wet RO kwam Cleveringa tot de conclusie dat onder terechtzitting moest worden verstaan 'elke overeenkomstig de geldende voorschriften belegde samenkomst van rechter en partijen voor de aanvang, den voortgang en de beëindiging van het geding..5 Er is voor deze opvatting van 'terechtzitting' veel te zeggen, omdat zij goedstrookt met de strekking van de regel van openbaarheid van behandeling, aldus Cleveringa.6 Ook het getuigenverhoor voor een rechter-commissaris moest volgens Cleveringa als - in principe openbare - terechtzitting worden aangemerkt, want
'er is geen reden om aan te nemen, dat het minder dringend zou zijn, dat een rechter-commissaris, met een getuigenverhoor belast, in het openbaar werkt dan dat een rechtbank in voltallige bezetting op een gewone rechts-dag dat doet; eerder dringender'.
Samenkomsten van rechter en partijen buiten de rechtszaal waren volgens hem eveneens aan te merken als terechtzittingen. Hij trok de vergelijking met de terechtzittingen in kort geding ten overstaan van de President van de rechtbank, welke (volgens art. 289 lid 2 (oud) Rv) desnoods konden plaatsvinden 'te zijnen huize'.7 Kennelijk waren de terechtzittingen niet beperkt tot de stenen contouren van de gehoorzalen der gerechten. Derhalve konden tevens bijvoorbeeld getuigenverhoren buiten de rechtszaal en de bezichtigingen ter plaatse als terechtzittingen aangemerkt worden volgens Cleveringa.
De argumenten van Cleveringa spreken nog immer aan. Er is geen redelijke grond te bedenken om de terechtzitting in een beperktere dan de door hem voorgestane zin op te vatten, eerder in ruimere zin. De nuttige functies van de openbaarheid van behandeling doen zich immers gevoelen bij elke officieel belegde samenkomst van rechter, partijen en/of eventuele andere belanghebbenden. Daarom dienen niet alleen comparities (bijvoorbeeld de schikkings- en inlichtingencomparities, art. 87 en art. 88 Rv) en de ambtshalve comparitie na antwoord (art. 131 Rv), de rolzittingen en de pleidooien van partijen8 onder het begrip (openbare) terechtzitting begrepen te worden, maar ook getuigenverhoren en verhoren van deskundigen in en buiten de rechtszaal9 en de plaatsopneming en bezichtiging.10
Het voorlopige getuigenverhoor (art. 186 e.v. Rv) en de voorlopige descente (art. 202 e.v. Rv) vallen redelijkerwijs ook onder het begrip terechtzitting. Art. 189 respectievelijk art. 205 Rv verklaren de bepalingen omtrent het getuigenverhoor en de plaatsopneming en bezichtiging van overeenkomstige toepassing op de voorlopige getuigenverhoren en plaatsopnemingen en bezichtigingen. Dit is logisch; er is ook daar sprake van een samenkomst van rechter en partijen in een procedure, zij het een voorlopige procedure. Bovendien, zou men de kwalificatie terechtzitting niet van toepassing achten in deze gevallen, dan zouden partijen onder de openbaarheidseis uit kunnen komen door een voorlopige procedure te entameren. Er zou zo ongelijkheid bestaan tussen partijen die een voorlopig getuigenverhoor en/of een voorlopige plaatsopneming en bezichtiging entameren, en zij die zulks nalaten. Nochtans heeft de Hoge Raad in HR 6 oktober 2006, JOR 2006/281, overwogen dat voorlopige getuigenverhoren niet in het openbaar behoeven plaats te vinden, nu daarbij geen sprake is van de vaststelling van burgerlijke rechten en verplichtingen en art. 6 EVRM mitsdien daarop niet rechtstreeks van toepassing is; hetzelfde geldt volgens de Hoge Raad in deze uitspraak voor verhoren ex art. 66 Fw. Ik kan mij slechts gedeeltelijk vinden in dit oordeel, namelijk voor zover een voorlopig getuigenverhoor slechts geëntameerd wordt ter inschatting van de proceskansen (en het daar vervolgens bij blijft); voor die gevallen waarin naar dit middel wordt gegrepen tot behoud van bewijs dat in een latere procedure wordt gebruikt, ben ik het evenwel om de eerder genoemde redenen niet met de Hoge Raad eens.
Ten slotte spreekt de wet op tal van plaatsen van verhoren en ondervragingen door de rechter van partijen en/of belanghebbenden.11 Voor zover de wet het tegendeel niet bepaalt dienen deze verhoren en ondervragingen eveneens als openbare terechtzittingen te worden beschouwd.
Bij dit alles hangt het ervan af welk belang men hecht aan de openbaarheid, of, zoals Cleveringa het voor het oude recht zei:
'Het hangt bij dit geheel, als zo vaak, van de ontvankelijkheid van hem, die hier krijgt te wikken en te wegen, af of hij een voorkeur gevoelt voor een ruime of enge opvatting van het begrip "terechtzitting" in art. 18 Rv en daarmee van het gebod der openbaarheid van behandeling.'
Het belang dat men aan de openbaarheid hecht, houdt hier niet op. Want met de vaststelling welke zittingen als openbare terechtzittingen moeten worden aangemerkt, is men er nog niet. In Nederland worden wekelijks vele 'openbare' civiele zittingen gehouden, maar de zittingzalen zijn vaak leeg. 'Openbaarheid betekent in de praktijk op dit moment alleen dat de rechter zegt dat de zitting openbaar is en dat de pers van de rol op de hoogte wordt gesteld', zo constateert Van Zwieteren.12 Zij meent terecht dat aan het aspect van de openbaarheid meer invulling kan worden gegeven door (niet alleen de pers, maar ook) het publiek actief op de hoogte te stellen van hetgeen er ten gerechte behandeld gaat worden. Voor zover het de rechtspraak in civilibus betreft, is dan met name de aankondiging van te houden kort gedingen en pleidooien interessant. De openbaarheid van rechtspraak moet geen theoretisch maar een praktisch beginsel zijn. Enige inspanning van de zijde van de rechterlijke macht mag in dit opzicht wel gevergd worden.13