Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker
Einde inhoudsopgave
Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker (R&P nr. CA18) 2018/6.6.3.2:6.6.3.2 Relevantie voor art. 6:181
Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker (R&P nr. CA18) 2018/6.6.3.2
6.6.3.2 Relevantie voor art. 6:181
Documentgegevens:
mr. A. Kolder, datum 16-03-2018
- Datum
16-03-2018
- Auteur
mr. A. Kolder
- JCDI
JCDI:ADS296746:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Toon alle voetnoten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een beschouwing van de aansprakelijke persoon binnen de regeling van de aan art. 6:181 verwante productenaansprakelijkheid is in mijn ogen waardevol, omdat daaruit ten eerste blijkt dat een door de wetgever gekozen kernbegrip ter aanduiding van de aansprakelijke persoon in het kwalitatieve aansprakelijkheidsrecht niet steeds naar het normale spraakgebruik wordt uitgelegd. Zo werd in het ontwerp- artikel 6:185 lid 1 sub c aanvankelijk voor de enkele term ‘beroep’ gekozen, terwijl daarmee werd beoogd een aanzienlijk brede(re) groep aansprakelijken aan te duiden, namelijk iedere ‘professional’ terwijl een winstoogmerk niet is vereist. Uiteindelijk is de maatstaf ‘beroep of bedrijf’ in de wet terechtgekomen, die de ruime werkingssfeer van de productenaansprakelijkheid – alleen degene die als particulier c.q. in de privésfeer handelt valt buiten het bereik van afd. 6.3.3 BW – taalkundig gezien nog altijd niet adequaat omschrijft. Ter aanduiding van de op grond van art. 6:181 aansprakelijke bezigt de wetgever de enkele term ‘bedrijf’ (art. 6:181 lid 1 en 2; art. 6:181 lid 3 aanhef) en ook het tekstueel ruimere ‘beroep of bedrijf’ (art. 6:181 lid 3 vervolg). Hierbij tekende de toelichting aan dat het bedrijfsbegrip van art. 6:181 uitgelegd moet worden naar de strekking van deze bepaling zelf.1 Dat ‘bedrijf’ dan wel ‘beroep of bedrijf’ binnen art. 6:181 een andere (lees: ruimere) uitleg toekomt dan conform het normale spraakgebruik, zou op het gebied van het kwalitatieve aansprakelijkheidsrecht dan ook geen novum zijn.
Ten tweede is een analyse van de hoedanigheid van de op grond van afd. 6.3.3 BW aansprakelijke producent waardevol voor de toepassing van art. 6:181, aangezien art. 6:181 jo. 173 en afd. 6.3.3. BW zoals reeds gezegd met elkaar verweven zijn. Ik breng in herinnering het zojuist gegeven voorbeeld (par. 6.6.3) van twee zaakschades in de privésfeer door eenzelfde soort ‘van meet af aan’ gebrekkige zaak, waarbij in het ene geval de franchise-drempel wel wordt gehaald en in het andere niet. Voorts noem ik wederom het voorbeeld waarbij in het ene geval zaakschade wordt toegebracht door een gebrekkige zaak in de privésfeer en in het andere geval daarbuiten. In het ene geval is afd. 6.3.3 BW toepasselijk, in het andere art. 6:181 jo. 173. Is afd. 6.3.3 BW toepasselijk, dan kunnen voor de schade zonder meer de bedrijfs- en beroepsmatige producent alsook de overheid als ‘professional’ worden aangesproken. Het zou ongerijmd voorkomen dat wanneer in gevallen die daar feitelijk zeer dicht tegenaan liggen maar waarin art. 6:181 jo. 173 de grondslag voor aansprakelijkheid vormt, de beroepsmatige gebruiker en/of de overheid niet zouden zijn belast met een kwalitatieve aansprakelijkheid. Het ligt wetssystematisch alsook vanuit het oogpunt van consistentie voor de hand aan te nemen dat de aansprakelijkheid voor gebrekkige roerende zaken in art. 6:181 jo. 173 (ook) – primair – ziet op de professionele gebruiker daarvan, waarbij een winstoogmerk c.q. het profijtbeginsel niet beslissend is.2 Aangezien hetgeen op grond van art. 6:181 met betrekking tot het bedrijfsbegrip voor roerende zaken geldt (art. 6:173) ook opgaat voor opstallen (art. 6:174) en dieren (art. 6:179),3 valt geïnspireerd op afd. 6.3.3 BW alleen de niet-professionele gebruiker van deze zaken buiten de aansprakelijkheid van art. 6:181. De aansprakelijkheid van de (particuliere) bezitter uit art. 6:173, 174 en 179 doet daarbij dienst als vangnet.