Raad zonder raadgevers?
Einde inhoudsopgave
Raad zonder raadgevers? (SteR nr. 42) 2018/2.4:2.4 Conclusie
Raad zonder raadgevers? (SteR nr. 42) 2018/2.4
2.4 Conclusie
Documentgegevens:
drs. J.W.M.M.J. Hessels, datum 01-03-2018
- Datum
01-03-2018
- Auteur
drs. J.W.M.M.J. Hessels
- JCDI
JCDI:ADS581542:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Algemeen
Bestuursprocesrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de loop van de laatste tweehonderdvijftig jaar is de positie van de gemeenteambtenaar aan grote veranderingen onderhevig. Van de ‘werktuigen’, die Thorbecke in hen ziet, tot de specialisten, die door het gemeentebestuur van tegenwoordig als onmisbare steunpilaar gezien worden.
Het aantal ambtenaren in een gemeente neemt toe van slechts enkele in het begin van de negentiende eeuw tot honderden (en bij grote steden duizenden) in onze tijd. Van doorslaggevend belang voor de (rechts)positie van de (gemeente)ambtenaren is de Ambtenarenwet van 1929. Voordien was slechts de positie van twee gemeenteambtenaren bij Wet geregeld: de gemeentesecretaris en de ontvanger. Voor de overige ambtenaren in dienst van de gemeente was niets centraal – en vaak ook niet decentraal – geregeld. Het toenemende aantal medewerkers van decentrale overheden, de diversificatie in hun werkzaamheden (bij verschillende afdelingen en diensten) en de daarmee gepaard gaande specialisatie maakte de noodzaak van goede arbeidsvoorwaarden en een weloverwogen inpassing in wet- en regelgeving duidelijk.
De behoefte aan ondersteuning door deze ambtenaren neemt gaandeweg toe. Met de uitbreiding van de taken en bevoegdheden van de gemeente – en daarmee ook van de gemeenteraad – worden de leden van de raad steeds afhankelijker van de informatie, die ze vanuit het college van burgemeester en wethouders krijgen aangereikt.
Voor de leden van gemeenteraadsfracties, die deel uitmaken van de gemeentelijke coalitie is dit geen probleem. Zij krijgen de gewenste informatie wel via hun wethouders, die immers (in het monistische systeem) deel uitmaken van hun fractie.
Moeilijker ligt dit voor de oppositie. In hun fractie zitten immers geen wethouders, die op een makkelijke manier de informatie, die vanuit de ambtelijke organisatie aan het college van burgemeester en wethouders wordt aangereikt, kunnen doorspelen naar de fractie. Vandaar dat PvdA-Kamerlid Stoffelen in september 1987 het voorstel1 doet om een recht op ambtelijke bijstand door gemeenteambtenaren voor de leden van de raad in de Gemeentewet op te nemen. Zijn voorstel komt er niet zonder slag of stoot doorheen, maar in de herziene Gemeentewet, die op 1 mei 1994 in werking treedt, is een nieuw artikel 33 opgenomen, dat het recht op ambtelijke bijstand vastlegt.
Ofschoon dit recht op ambtelijke bijstand soms gezien wordt als een voortvloeisel van de dualisering van het gemeentebestuur, staat het hier volledig los van. Het belang ervan neemt wel toe na de invoering van het duale bestel, want ook de coalitiefracties hebben daarna geen wethouders meer in hun geledingen.
De informatievoorziening door het college aan de gemeenteraad en een gedegen ondersteuning van de raad zijn dan ook onderwerpen, die bij de invoering van het dualisme de nodige aandacht zullen krijgen.