Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/15.4.3.2
15.4.3.2 Voorontwerp Awb
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS495905:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Aanvulling van de Algemene wet bestuursrecht (Vierde tranche Algemene wet bestuursrecht), Voorontwerp van wet, bijlage bij brief van de Ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Den Haag, p. 12. Deze formulering steunde op haar beurt weer op de jurisprudentie van de HR, die (deels) in § 15.4.2 hiervoor ter sprake kwam.
Zie bijvoorbeeld Knigge 2000, p. 83 e.v.
Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, p. 94 e.v.
Kamerstukken II, 1998/99, 26 363, A, p. 4.
Haas en Jansen 2010, p. 119 e.v., wijzen erop dat uit de wetsgeschiedenis volgt dat ook te rade is gegaan bij het belastingrecht c.q. het fiscaal zwijgrecht, terwijl de wetgever juist daarvan is afgeweken.
In § 14, eerste lid BBBB, V-N 2016/4.4.2, is met verwijzing naar art. 5:10a van de Awb vastgelegd dat de belanghebbende tijdens het verhoor niet tot antwoorden verplicht is. Hij dient voor de aanvang van het verhoor hierop te worden gewezen (cautie). Albers, noot onder CRvB van 16 november 2011, JB 2012/18, pt. 3, meent dat ten opzichte van de formulering in het voorontwerp van de Vierde tranche Awb niet echt sprake lijkt te zijn van een inhoudelijke wijziging, onder meer omdat het moment waarop het zwijgrecht ingaat, haars inziens nog steeds zeer dicht aanligt tegen het moment waarop er sprake is van een ‘charge’ in de zin van art. 6 EVRM. Dit moment ligt volgens Albers op een later moment dan uit de regeling uit art. 29 Sv (jo. art. 27 Sv) volgt. Van een daadwerkelijke aansluiting bij het strafrecht is volgens hem geen sprake.
De aanvankelijk voorgestelde tekst van art. 5:10a Awb (in het voorontwerp: art. 5.0.11) sloot aan op eerdere formuleringen die in een reeks bijzondere wetten waren opgenomen, waaronder art. 67j AWR (oud): degene die aan een handeling van het bestuursorgaan redelijkerwijs de gevolgtrekking kan verbinden dat aan hem een bestuurlijke sanctie, niet zijnde een herstelsanctie, zal worden opgelegd, zou niet langer verplicht zijn ten behoeve van deze oplegging inlichtingen omtrent de overtreding te verstrekken.1 Deze formulering heeft veel kritiek opgeroepen uit onder meer strafrechtelijke kring.2 Er zouden geen goede redenen zijn om op dit punt onderscheid te maken tussen het bestuurs- en strafrecht. De problematiek van de verhouding tussen zwijgrecht en inlichtingenplicht doet zich bijvoorbeeld in het strafrecht ook voor, omdat veel bestuursrechtelijke wetten (mede) strafrechtelijk worden gehandhaafd.3 Het bestuursrecht zou op dit punt aansluiting moeten zoeken bij het strafrecht.
Deze en andere kritiek hebben geleid tot de conclusie dat het wenselijk is om een van het voorontwerp afwijkende regeling voor te stellen.4 Deze aanleiding lag vooral in de wens van de wetgever om onnodige verschillen met het strafrecht te vermijden. Dit klemt temeer nu de regelingen van het zwijgrecht in het bestuurs- en strafrecht beide moeten voldoen aan de eisen van art. 6 EVRM.5 Daarbij doet zich volgens de wetgever wel het probleem voor dat de rechtspraak van het EHRM geen volstrekte duidelijkheid biedt over de eisen die het Verdrag stelt. Alles afwegende stelde de wetgever voor om te bepalen dat aan een persoon het zwijgrecht toekomt, zodra hij met het oog op het opleggen van een bestraffende sanctie wordt verhoord.6