Het opportuniteitsbeginsel en het recht van de Europese Unie
Einde inhoudsopgave
Het opportuniteitsbeginsel en het recht van de Europese Unie 2014/2.7.3:2.7.3 Het opportuniteitsbeginsel sinds de jaren zeventig
Het opportuniteitsbeginsel en het recht van de Europese Unie 2014/2.7.3
2.7.3 Het opportuniteitsbeginsel sinds de jaren zeventig
Documentgegevens:
Dr. W. Geelhoed LL.M., datum 19-09-2013
- Datum
19-09-2013
- Auteur
Dr. W. Geelhoed LL.M.
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Voorfase
Rechtswetenschap / Rechtsgeschiedenis
Internationaal strafrecht / Europees strafrecht en strafprocesrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de jaren tachtig is het accent minder sterk komen te liggen op de grondslag onder de positieve interpretatie van het opportuniteitsbeginsel, namelijk de vraag wanneer strafrechtelijk ingrijpen nog wel maatschappelijk aanvaardbaar is. Het idee dat het strafrecht een ‘ultimum remedium’ is, een uiterste redmiddel dat alleen mag worden ingezet wanneer niets anders baat, heeft dan aan gelding ingeboet. Vanwege het bestaan van zogenaamde handhavingstekorten werd het accent verlegd naar de vraag welk niveau van rechtshandhaving minimaal moet worden aangehouden. Het gaat dan meer om een ondergrens waaronder strafrechtelijk optreden niet moet zakken, dan een bovengrens waarboven het niet mag uitgaan. De vraag is of deze ontwikkeling een terugkeer naar een negatieve interpretatie van het opportuniteitsbeginsel is, of dat ze te rijmen is met een positieve interpretatie.
Volgens ’t Hart behelst deze keuze geen afwijzing van de positieve interpretatie van het opportuniteitsbeginsel. De keuze voor een ondergrens waaronder het niveau van rechtshandhaving niet zou mogen zakken, kwam voort uit een gevoelde behoefte tot inzet van het strafrecht. Het nastreven van een hoger niveau van handhaving was daarom volgens hem een uiting van afweging van belangen. Daarmee zou deze ontwikkeling niet in strijd zijn met een positieve interpretatie van het opportuniteitsbeginsel. Dat blijkt ook uit het feit dat de sturing voor een groot deel afkomstig is van het ministerie van Justitie, dat zich een invloedrijke positie in het strafrechtelijk beleid verwerft, waarvan de nota Samenleving en criminaliteit het duidelijkste resultaat is. In een negatieve interpretatie wordt het opportuniteitsbeginsel zo uitgelegd dat de wet behoudens uitzonderingen moet worden gehandhaafd, en is een aanpassing van de strafwet de aangewezen vorm omsturing te geven aan de strafrechtelijke handhaving. Wanneer het ministerie van Justitie via beleidsinitiatieven tracht een stempel te drukken op de inhoud van het strafvorderlijk beleid, in plaats van de wet aan te passen om daarmee bepaalde als wenselijk beschouwde resultaten in de maatschappij te verkrijgen, valt daarin waarschijnlijk inderdaad een positieve interpretatie van het opportuniteitsbeginsel te herkennen. In een positieve interpretatie is strafbaarheid immers wel een noodzakelijke, maar geen voldoende voorwaarde: de inhoud van het vastgestelde beleid is beslissend voor de vraag in welke mate en in welke vorm zal worden gehandhaafd. Op het strafrechtelijke beleid kan de minister van Justitie, krachtens zijn formele aanwijzingsbevoegdheid, maar misschien wel vooral door informele overleggen, grote invloed uitoefenen. Dat het ministerie van Justitie de strafrechtelijke handhaving door beleidsnota’s tracht te beïnvloeden is dan ook eerder conform dan in strijd met een positieve interpretatie van het opportuniteitsbeginsel.