Einde inhoudsopgave
Het besluit van de rechtspersoon (VDHI nr. 162) 2020/XI.4.2
XI.4.2 Wenselijk recht: Boek 2 boven Boek 7
mr. K.A.M. van Vught, datum 20-11-2019
- Datum
20-11-2019
- Auteur
mr. K.A.M. van Vught
- JCDI
JCDI:ADS178688:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie de rechtspraak aangehaald in noot 21 hierboven.
En onder omstandigheden zelfs als geschilbeslechting geen statutaire, maar een contractuele grondslag heeft, en een orgaan van de rechtspersoon beslist, zoals in (de in § 1 aangehaalde casus van) Hof Amsterdam 5 juni 2018, JOR 2019/98, m.nt. Van Vught (Boekel). Ik werk dit kortheidshalve niet verder uit.
In deze zin ook Kollen 2007, p. 214 en Van Kleef 2013, p. 166.
Zie bijv. Hof Amsterdam 5 juni 2018, JOR 2019/98, m.nt. Van Vught (Boekel), rov. 3.26 resp. Rb. Zeeland-West-Brabant 25 januari 2017, ECLI:NL:RBZWB:2017:1106 (Leefbaar Reimerswaal), rov. 4.1, beide als uitzondering op de regel vervat in HR 14 mei 1965, NJ 1965/259, m.nt. Scholten (Amsterdams Speeltuinverbond).
Maeijer 1997, p. 238.
In deze zin ook Van Kleef 2013, p. 166.
Het belangrijkste bezwaar tegen het geldend recht luidt, dat het allemaal wel zeer complex is geworden. Meijers’ art. 7:906 BW is ingenieus maar ingewikkeld. Eenvoudiger is het om alle beroepsbeslissingen in een royement als besluit aan te merken en om daarop uitsluitend Boek 2 BW toe te passen. De rechter heeft dan simpelweg aan art. 2:14 en 2:15 BW te toetsen, zoals hij in de praktijk al vaak doet.1 Een wetswijziging is voor dit alles niet nodig. We moeten over de wetsgeschiedenis heenstappen en kunnen eenvoudigweg aannemen dat de aard van het royementsberoep de bepalingen van de vaststellingsovereenkomst uitsluit. Art. 7:906 lid 4 BW biedt deze ruimte. Deze lijn lijkt mij niet alleen geschikt voor het royementsberoep, maar voor alle gevallen waarin op grond van de statuten geschilbeslechting plaatsvindt in een rechtspersoon.2
Het zou dus precies andersom moeten. Maar waarom? Ten eerste valt het nodige in te brengen tegen de gedachte, zoals Meijers die tot uitgangspunt heeft genomen, dat het royementsberoep typisch een vaststelling is nu het geschilbeslechting betreft tussen de rechtspersoon en een enkel lid. Dat laatste is op zichzelf waar, maar het royementsberoep heeft wat mij betreft evengoed trekken die een besluit eigen zijn. De beroepsinstantie beslist immers op grond van de statuten en tegen de wil van de geroyeerde. De instantie is orgaan, maar bovenal: zij beslist over (het voortbestaan van) de lidmaatschapsverhouding, oftewel over een zaak die typisch is voor de rechtspersoon.3 Daarbij komt dat die beslissing – lid of niet – de rechtspersoon maar evengoed ook andere leden en betrokkenen aangaat. Het is van belang dat zo’n beslissing tegenover eenieder werkt, zoals een besluit (art. 2:16 lid 1 BW). Misschien is het besluit niet aan een veelheid van personen geadresseerd, maar het raakt die veelheid wel.
Ten tweede valt maar lastig te begrijpen waarom de beslissing op het royementsberoep anders moet worden behandeld dan enerzijds het royementsbesluit in eerste aanleg en anderzijds het royementsbesluit in eerste en enige instantie zoals genomen door de algemene ledenvergadering. Het royementsbesluit, meestal genomen door het bestuur, kan soms rechtstreeks bij de rechter worden aangevochten. Dit is bijvoorbeeld zo wanneer van de beroepsmogelijkheid gezien eerdere ervaringen geen faire behandeling te verwachten valt of wanneer de vereniging en de geroyeerde overeenkomen het beroep over te slaan.4 Waarom zouden art. 2:14 en 2:15 BW dan wél gelden en anders niet? Dezelfde (retorische) vraag gaat op voor het royementsbesluit genomen door de algemene vergadering. Ook volgens Maeijer is dat een besluit onderworpen aan art. 2:15 BW5 – en terecht – maar dan is er geen rechtvaardiging om het royementsberoep behandeld door een andere instantie onder de bepalingen van de vaststellingsovereenkomst te scharen.
Ten derde is het gewenst de regels van Boek 2 BW op het royementsberoep toe te passen.6 Ik denk aan de eenjarige vervaltermijn van art. 2:15 lid 5 BW, die snel zekerheid biedt aan alle betrokkenen en bij een royement geen onredelijke termijn lijkt. Het is verder logisch dat vernietiging van een royementsberoep niet buitengerechtelijk en niet bij wege van verweer zou moeten kunnen, welke beide mogelijkheden in art. 2:15 BW zijn uitgesloten.7 Juist wel aangenaam is de werking erga omnes op grond van art. 2:16 lid 1 BW, als de beslissing in het royementsberoep wordt vernietigd. Ten slotte laat Boek 2 BW de rechter iets meer ruimte om de beslissing in het royementsberoep te toetsen. Strijd met de wet, de statuten of een totstandkomingsgebrek zijn in art. 2:14 en 2:15 BW zelfstandige gronden waaraan de rechter rechtstreeks kan toetsen. De omweg van art. 7:904 lid 1 BW – dat het in strijd met de redelijkheid en billijkheid is betrokkenen aan een bindende vaststelling te houden gelet op de inhoud of wijze van totstandkoming daarvan – is niet langer nodig. Waarschijnlijk komt het op hetzelfde neer, maar anders toetst de rechter via art. 2:15 lid 1 onder b BW wellicht iets indringender. Bezwaar daartegen zie ik niet, integendeel.