Einde inhoudsopgave
Het schuldige geheugen? (SteR nr. 32) 2017/II.3.1.2.1
II.3.1.2.1 Het belang van een gedegen instrumentele analyse
mr. D.A.G. van Toor, datum 22-02-2017
- Datum
22-02-2017
- Auteur
mr. D.A.G. van Toor
- JCDI
JCDI:ADS454370:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Ook in de wetenschap krijgt de instrumentele zijde van opsporingsmethoden substantieel minder aandacht dan de rechtsbeschermende waarborgen. Zie ook J.J. Rayner, Reevaluatingthe criminal investigative process: An empirical evaluation of criminal investigationsin the United States (diss. University of South-Mississippi), 2014, p. ii: ‘Still, theamount of research undertaken within the realm of the criminal investigative process has notcorresponded to the magnitude of its importance in everyday police operations.’ Vgl. C. Roux, R. Julian, S. Keltz & O. Ribaux, ‘Forensic Science Effectiveness’, in: G. Bruinsma & D. Weisburd (red.), Encyclopedia of Criminology and Criminal Justice, New York, NY: Springer 2014, p. 1795-1805.
H. Goldstein, ‘Improving Policing: A Problem-Oriented Approach’, Crime & Delinquency 1979, 25, p. 238.
P. Duijn, ‘Stilstaan of meebewegen? Over de effectiviteit van het opsporingsproces binnen de politie, belicht vanuit de bestrijding van georganiseerde hennepteelt’, Proces 2013, 3, p. 178-182.
Zie voor praktijkvoorbeelden R. Salet, Opsporing, tegenspraak en veranderende frames. Een onderzoek naar tegenspraak in grootschalige rechercheonderzoeken (diss. Nijmegen), Den Haag: Boom Lemma uitgevers 2015, p. 113.
M.Q. Patton, ‘What Brain Sciences Reveal About Integrating Theory and Practice’, American Journal of Evaluation 2013, 4, p. 239.
Zie over tunnelvisie, of zoals zij het omschrijft: framing, het proefschrift R. Salet, Opsporing,tegenspraak en veranderende frames. Een onderzoek naar tegenspraak in grootschalige rechercheonderzoeken (diss. Nijmegen), Den Haag: Boom Lemma uitgevers 2015.
A. Tversky & D. Kahneman, ‘Judgment under Uncertainty. Biases in judgments reveal some heuristics of thinking under uncertainty’, Science 1974, 4157, p. 1124-1131 en D. Kahneman & A. Tversky, ‘Choices, values and frames’, American Psychologist 1984, 4, p. 341-350 en D. Kahneman & A. Tversky (eds.), Choices, values, and frames, Boston, MA: Cambridge University Press 2000 en D. Kahneman, Thinking, Fast and Slow, London: Allen Lane 2011.
N. Kop, Van opsporing naar criminaliteitsbeheersing (oratie Politieacademie), Den Haag: Boom Lemma uitgevers 2012, p. 15.
J. Wiarda & J. Vrolijk, ‘Het democratische gat in het politiebestel en de legitimiteit van de politie. Een opinie en een voorstel voor een Raad voor de Politie’, JV 2012, 5, p. 68.
Vgl. de conclusies uit het onderzoek naar een beter gemotiveerd vonnis en de acceptatie daarvan en het begrip daarvoor onder professionals en journalisten: L. de Groot van Leeuwen, M. Laemers & I. Sportel, Het vonnis beter uitgelegd? Maatschappelijke effectenvan beter motiveren in de strafrechtspraak, Den Haag: Raad voor de rechtspraak 2015, p. 116-118. Zie ook W.H.B. Dreissen, Bewijsmotivering in strafzaken (diss. Maastricht), Maastricht: Universiteit van Maastricht 2007, p. 375.
De eerste conclusie is dat van een systematische toetsing van de instrumentele waarde van beoogde opsporingsmethoden geen sprake is.1 Verschillende problemen kunnen zich voordoen wanneer geen duidelijke informatie beschikbaar is (of wordt genegeerd) omtrent de instrumentele kwaliteit van opsporingsmethoden. Het steeds groeiende scala aan methoden stelt de opsporingsautoriteiten voor een uitdaging. De mogelijkheden nemen telkens verder toe. Klassieke methoden zoals het verhoor, de observatie en een doorzoeking hebben ‘concurrentie’ gekregen van DNA-onderzoek en methoden waarmee onderzoek naar communicatie en (digitale) gegevens kan worden gedaan. Wetenschappelijke en technologische ontwikkelingen maken dat steeds meer middelen beschikbaar komen om in een opsporingsonderzoek te worden ingezet. Dit betekent dat de autoriteiten in een concreet opsporingsonderzoek keuzes moeten maken wat betreft in te zetten methoden uit de pool van alle methoden. Uit criminologisch onderzoek blijkt namelijk dat de politie regelmatig leidt aan ‘the means-over-ends-syndrome’: als een methode beschikbaar is, wordt hij gecreëerd voor en gebruikt door de politie.2 Dit is op zichzelf geen probleem. Meer alternatieven kan leiden tot specialisatie binnen een team en een gerichte, op de omstandigheden van het geval afgestemde, aanpak. Het hebben van meer alternatieven herbergt echter ook een aantal valkuilen.
(Te) weinig informatie over de instrumentele kwaliteit (en afwezigheid van voldoende tijd om een beslissing te nemen) kan leiden tot ‘waan-van-dedag- denken’.3 Bijvoorbeeld dat nieuwe methoden na introductie moeten worden ingezet om eerstens de introductie te rechtvaardigen en daarnaast omdat de indruk kan bestaan dat de nieuwe methode de ontbrekende schakel is. Daar staat tegenover dat succesvolle ervaring met een opsporingsmethode kan leiden tot het blijven inzetten van die methode enkel omdat daarmee in het verleden succes is geboekt. Het is enerzijds menselijk om iets nieuws direct uit te proberen of anderzijds op in het verleden behaalde successen voort te borduren, maar het zijn intuïtieve ervaringsregels4 en geen rationele argumenten. Het baseren van de inzet van instrumenten in de opsporing gaat daarmee voorbij aan de kostbare inzet van een beperkt beschikbare capaciteit aan mankracht, apparatuur en geld, die altijd onvoldoende is om alle criminaliteit op te lossen. Als die beslissingen niet op rationele instrumentele overwegingen worden gebaseerd, bestaat de (grote) kans dat in een concrete zaak niet de meest geschikte methoden worden gekozen. Dit betekent dat beslissingen met betrekking tot de inzet van opsporingsmethoden ten minste ook (en eigenlijk voornamelijk) op rationele argumenten moeten worden gebaseerd.
Verder wordt het nemen van beslissingen moeilijker naarmate er meer alternatieven zijn, zelfs tot het niveau dat ‘beslissingsverlamming’ ontstaat (de zogenoemde ‘analysis paralysis’): ‘Decision sciences have been identifyingdecision heuristics that cut through the messy, confusing, overwhelming chaos of thereal world so that we can avoid analysis paralysis and take action.’5 Met andere woorden, bij meerdere alternatieven kunnen mensen eigenlijk geen rationele beslissingen meer nemen omdat de hersenen niet alle informatie kunnen verwerken. Dat is wat betreft hoeveelheid factoren en informatie simpelweg, gezien de ‘beperkte’ (bewuste) verwerkingscapaciteit van onze hersenen, onmogelijk. (Dit betekent dat men eigenlijk een database over de inzet van alle opsporingsmethoden in alle zaken bij moet houden om daar in de toekomst beslissingen mede op te baseren.) Dat de hersenen niet dezelfde rekenkracht hebben als een computer is een gegeven en het feit dat de bewuste verwerkingscapaciteit beperkt is, zet de deur open om voor ervarings- of vuistregels en biases de beslissing te laten beïnvloeden. Een van de heuristieken die invloed uitoefent op het beslisproces bij beslissingsverlamming is de confirmation bias,6 de neiging om te zoeken naar bevestigend bewijs en ontlastend bewijs te negeren. Bevestigende informatie verwerken en ontlastend bewijs negeren, zijn intuïtieve strategieën om om te gaan met een te veel aan informatie. De confirmation bias biedt derhalve een oplossing voor analysis paralysis met alle mogelijke gevolgen van dien. Van alle door Kahneman en Tversky7 beschreven heuristieken is de confirmation bias het meest schadelijk voor de waarheidsvinding omdat daardoor mogelijk onschuldigen worden veroordeeld en schuldigen genegeerd.
Als laatste kan volgens Kop ineffectieve opsporing de legitimiteit en geloofwaardigheid van de politie aantasten.8 Een lage pakkans bij bepaalde delicten, aangiftes die op de plank blijven liggen en het feit dat criminele organisaties ongestraft te werk kunnen gaan, worden door haar als voorbeelden van ineffectieve opsporing genoemd. Hierdoor wordt het gezag van en het vertrouwen in de opsporende autoriteiten verminderd. Wiarda & Vrolijk geven aan dat onder andere transparantie en toegankelijkheid de legitimiteit van de politie versterken (maar dat de burger vaak en sterk de indruk heeft dat de politie zich terugtrekt in een bureaucratisch bolwerk).9 Betere informatie over de instrumentele kwaliteit van opsporingsmethoden kan tot versterking van de legitimiteit en geloofwaardigheid van de politie leiden. De legitimiteit wordt versterkt doordat uitleg hoe en waarom op een bepaalde wijze met de beperkt beschikbare capaciteit wordt omgegaan. Door hier te communiceren wordt ook de geloofwaardigheid van het politiële en justitiële optreden versterkt.10 Deze argumentatie kan mijns inziens alleen overtuigen als zij op basis van rationele argumenten en niet op grond van ervarings- en vuistregels is gebaseerd. Natuurlijk betekent het gebruiken van rationele argumenten niet dat ineens alle criminaliteit wordt voorkomen of opgespoord, maar wel dat inzicht in de inzet van kapitaal wordt gegeven.
Dit alles – een means-over-end-syndrome dat kan leiden tot waan-van-dedag-denken, beslissingsverlamming, confirmation bias en (uiteindelijk) ineffectieve opsporing waardoor legitimiteit en geloofwaardigheid van de opsporing wordt aangetast – (en dat is de eerste belangrijke tussenconclusie) moet en kan worden voorkomen (of ten minste verbeterd) als er meer aandacht is of komt voor uniforme instrumentele kwaliteitsanalyses van opsporingsmethoden.