Einde inhoudsopgave
Het EVRM en het materiële omgevingsrecht (SteR nr. 22) 2015/10.5.1
10.5.1 Inleiding
D.G.J. Sanderink, datum 01-03-2015
- Datum
01-03-2015
- Auteur
D.G.J. Sanderink
- JCDI
JCDI:ADS449967:1
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Omgevingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Voetnoten
Voetnoten
In paragrafen 10.3 en 10.4 heb ik op enkele plaatsen kritiek geuit op de huidige rechtspraak van het EHRM en heb ik mijn mening gegeven over de vraag in welke gevallen enkele soorten schade vergoed zouden moeten worden op grond van (het vereiste van de ‘fair balance’ van) art. 1 EP. Het spreekt voor zich dat in deze paragraaf (paragraaf 10.5) de verhouding tussen het recht op schadevergoeding op grond van artikel 1 EP en het recht op nadeelcompensatie naar Nederlands recht niet wordt beoordeeld aan de hand van die kritiek en eigen meningen. Integendeel, bij de beoordeling van die verhouding wordt uiteraard uitgegaan van het recht op schadevergoeding op grond van artikel 1 EP zoals dit volgt uit de huidige rechtspraak van het EHRM.
Hetgeen niet wegneemt dat de toepassing van het (hierna te bespreken) vereiste dat de schade uitgaat boven het normale maatschappelijke risico in concrete gevallen tot op zekere hoogte kan verschillen bij beide soorten schade. Aangenomen mag echter worden dat schade die volgens de rechtspraak buiten het normale maatschappelijke risico valt in het geval dat zij indirecte schade is, zeker ook buiten het normale maatschappelijke risico zou zijn gevallen in het geval dat zij directe schade was geweest. Het lijkt in het nadeelcompensatierecht immers aanvaard dat directe schade sneller (althans zeker niet minder snel) voor vergoeding in aanmerking komt dan indirecte schade (vergelijk de in het huidige art. 6.2 lid 2 Wro neergelegde drempel van twee procent die wel geldt voor indirecte schade maar niet voor directe schade). In dit opzicht is de rechtspraak over indirecte schade dus ook relevant voor directe schade.
In de paragrafen 10.3 en 10.4 is gebleken dat de overheid ter verzekering van een ‘fair balance’ tussen het algemeen belang en het eigendomsbelang onder omstandigheden op grond van artikel 1ep verplicht is om schadevergoeding aan te bieden voor beperkingen van omgevingsbelastend gebruik van eigendommen (waaronder bouwbeperkingen). Deze onder omstandigheden bestaande verplichting wordt hierna ook wel aangeduid met ‘het recht op schadevergoeding op grond van artikel 1 ep’, aangezien de keerzijde van die verplichting voor de overheid een recht op schadevergoeding voor de burger is. De vraag rijst hoe het recht op schadevergoeding op grond van artikel 1 ep zich verhoudt tot het recht op nadeelcompensatie naar Nederlands recht. In het bijzonder is het de vraag of het recht op nadeelcompensatie naar Nederlands recht voldoende waarborgt dat de overheid verplicht is schadevergoeding aan te bieden voor beperkingen van omgevingsbelastend gebruik van eigendommen (waaronder bouwbeperkingen) in die gevallen waarin zij blijkens de rechtspraak van het ehrm op grond van artikel 1 ep verplicht is om schadevergoeding voor die beperkingen aan te bieden. Als dit niet het geval zou zijn, zou aan artikel 1 ep in het nationale recht immers een belangrijke aanvullende werking toekomen. Deze vragen komen in deze paragraaf aan de orde.1 Daartoe zal eerst in algemene zin kort het recht op nadeelcompensatie op grond van artikel 4:126 Awb worden behandeld. Hoewel dit artikel nu nog niet in werking is getreden, is een behandeling van het recht op nadeelcompensatie naar Nederlands aan de hand van dit artikel gerechtvaardigd. Dit artikel is (tezamen met de andere bepalingen van titel 4.5 van de Awb) immers door bekendmaking in het Staatsblad (Stb. 2013, 50) al wel tot wet verheven en zal binnen afzienbare tijd de algemene grondslag voor nadeelcompensatie in het Nederlandse recht vormen. Omdat over artikel 4:126 Awb nog geen rechtspraak bestaat, zal ik bij de bespreking van het recht op nadeelcompensatie op grond van dit artikel gebruik maken van rechtspraak over (andere wettelijke bepalingen die een codificatie bevatten van) het égalitébeginsel. 2 Aangenomen mag immers worden dat die rechtspraak in essentie voortgezet zal worden onder artikel 4:126 Awb, aangezien dit artikel eveneens een codificatie van het égalitébeginsel vormt.3 Van belang is tot slot dat ik bij de bespreking van het recht op nadeelcompensatie op grond van artikel 4:126 Awb en de verhouding daarvan tot het recht op schadevergoeding op grond van artikel 1 ep gebruik maak van (Nederlandse) rechtspraak over zowel directe schade als indirecte schade. Voor beide soorten schade geldt onder artikel 4:126 Awb namelijk in abstracto hetzelfde regime. 4