Einde inhoudsopgave
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/19.10.1
19.10.1 Aansprakelijkheid van de verkopende aandeelhouder
mr. J. Barneveld, datum 18-09-2013
- Datum
18-09-2013
- Auteur
mr. J. Barneveld
- JCDI
JCDI:ADS404680:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Rb. Utrecht 7 augustus 1996, JOR 1996/98, Hof Amsterdam 26 november 1998, JOR 1999/10, HR 28 april 2004, JOR 2000/128, Hof ’s-Gravenhage 7 augustus 2007, JOR 2008/71 en HR 28 april 2000, NJ 2000, 41, JOR 2000/128 (Montedison). Zie over de eerste hof-uitspraak in de Montedisonzaak Lennarts 1999, p. 215-221 en over de gehele zaak tevens Lennarts 2006b.
Zie r.o. 2.5 van de rechtbank-uitspraak.
Hoewel de Montedison-zaak na de uitspraak van de rechtbank nog aanleiding heeft gegeven tot twee hof-uitspraken en twee uitspraken van de Hoge Raad, speelde daarin het gegeven dat Montedisonten tijde van de formele onttrekking geen aandeelhouder meer was van Domp, geen rol.
In gelijke zin heeft Oostwouder overwogen: “De beheersende (ex)moedervennootschap loopt met name gevaar, indien zij wist of behoorde te weten dat de koopprijs ten laste van de doelvennootschap zou worden gefinancierd en zij ten tijde van het aangaan van de overeenkomst of ten tijde van de betaling van de koopprijs reeds ernstig rekening had moeten houden met de mogelijkheid van een tekort door deze financiering (in die zin dat er toen voor die mogelijkheid concrete aanwijzingen waren). Zowel koper als verkoper doen er derhalve verstandig aan erop te letten dat de MBO op een deugdelijke wijze wordt gefinancierd.” (Oostwouder 2003, p. 93-94).
Zie over de PCM-procedure par. 17.4.4.
Bij een LBO vinden de onttrekkingen aan het vermogen van de doelwitvennootschap in de regel plaats ná de overdracht van de aandelen van de verkopende aandeelhouders aan de kopende aandeelhouder. De vraag rijst of de aandeelhouders die in het kader van een LBO hun aandelen verkopen, en dus niet formeel betrokken zijn bij (de besluitvorming betreffende) deze onttrekkingen, zich vanwege hun medewerking aan de transactie schuldig kunnen maken aan onrechtmatig handelen. In beginsel is een aandeelhouder die zijn aandelen aan een derde verkoopt immers niet verantwoordelijk voor het handelen van de koper van de aandelen na de verkoop en levering van de aandelen. Onder omstandigheden kan dit echter anders liggen, zo blijkt bijvoorbeeld uit de Montedison-zaak.1
De Montedison-casus kwam in de kern op het volgende neer. Montedison BV wilde zich als enig aandeelhouder terugtrekken uit Domp BV. Daartoe werd een carrousel opgetuigd dat erin resulteerde dat de aandelen van Domp overgingen naar Fender BV, waarbij de koopprijs gefinancierd werd uit het eigen vermogen van Domp. Om dit mogelijk te maken, besloot Fender in haar hoedanigheid van enig aandeelhouder na de overdracht van de aandelen, tot uitkering van alle vrije reserves van Domp. Toen Domp na deze transactie failleerde, sprak de curator Montedison aan op grond van (onder meer) onrechtmatige daad, omdat Montedison op het moment dat de transactie plaatsvond bekend was met het gegeven dat de belangrijkste leverancier van Domp, goed voor maar liefst 35 procent van de omzet van Domp, de distributieovereenkomst had opgezegd. Dat de curator zijn pijlen richtte op Montedison, en niet op Fender dat immers formeel het uitkeringsbesluit had genomen, is in het licht van de feiten begrijpelijk. Net als bij een LBO, geschiedde de vermogensonttrekking in de Montedison-zaak door een ‘lege huls’, die de onttrokken middelen direct had aangewend voor de betaling van de koopprijs van de aandelen, en daarom geen verhaal bood. Het standpunt van Montedison dat zij met de onttrekking niets van doen had gehad, mocht haar daarom niet baten.2 De rechtbank oordeelde dat haar medewerking aan de gehele overname (en de financiering daarvan) kwalificeerde als een onrechtmatige daad jegens de gezamenlijke crediteuren van Domp.3
De Montedison-zaak illustreert dat ook de aandeelhouder die in het kader van een LBO zijn aandelen van de hand doet, onder omstandigheden onrechtmatig handelt jegens de crediteuren van de vennootschap als hij ernstig rekening moet houden met een tekort. Daarvoor is mijns inziens vereist dat de aandeelhouder op de hoogte was van het gegeven dat de koopsom gefinancierd zou worden door onttrekkingen aan het vermogen van de vennootschap en het daardoor voorzienbare tekort op de koop toe heeft genomen.4 De vraag rijst of een verkopende aandeelhouder aansprakelijkheid kan voorkomen door zich vooral niet te verdiepen in de financiering van de overname. Moet de aandeelhouder worden beloond voor het feit dat hij zich van de domme houdt? Mijns inziens brengt het ten dele geobjectiveerde karakter van het voor aansprakelijkheid vereiste subjectieve criterium mee dat een nauw bij de vennootschap betrokken aandeelhouder die een hoge premie voor zijn aandelen ontvangt, zich soms de vraag dient te stellen waar die hoge premie vandaan komt. Ook in de PCM-uitspraak van de OK lees ik de notie dat het aandeelhouders niet in alle gevallen zonder meer vrij staat de vennootschap ‘uit te leveren’ aan een partij die de crediteuren en werknemers van de vennootschap aan een onredelijk groot risico zal blootstellen.5