Einde inhoudsopgave
Het budgetrecht van het Nederlandse parlement 2017/2.2
2.2 Persoonlijke inwilliging
mr. M. Diamant, datum 01-09-2017
- Datum
01-09-2017
- Auteur
mr. M. Diamant
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Over de vorming van de Nederlandse staat zie uitgebreid de literatuurverwijzingen in Van der Pot/Elzinga e.a. 2014, p. 117 noot 1.
Fruin/Colenbrander 1980, p. 10 en Van der Pot/Elzinga e.a. 2014, p. 117-118.
Grapperhaus 1984, p. 21.
Het woord petitie, botting of schot was ook gangbaar. Zie respectievelijk Grapperhaus 1984, p. 21 en Fruin/Colenbrander 1980, p. 39.
Fruin/Colenbrander 1980, p. 39.
Ydema 1997, p. 152-153. Nood van het land was overigens wel een rekbaar begrip. Zie Ydema 1997, p. 155.
Ydema 1997, p. 153-155 en Grapperhaus 1984, p. 25. De bede werd overigens niet op alle onderdanen gelijkelijk opgelegd. Sommige onderdanen, zoals clerici, waren (tijdelijk) vrijgesteld van de (buitengewone) bede. De lasten werden verder naar draagkracht verdeeld. Zie Ydema 1997, p. 158-163.
Het begin van de ontwikkeling van de Nederlandse overheidsfinanciën hangt samen met de vorming van de Nederlandse staat.1 De vorming van de Nederlandse staat begint rond de tiende en elfde eeuw met het ontstaan van leenstaatjes. Deze leenstaatjes stonden onder leiding van de landsheer (een graaf, hertog of bisschop) die oorspronkelijk ambtenaar van de Koning was. Als snel werden deze leenstaatjes erfelijk en groeiden uit tot zelfstandige vorstendommen.2 De landsheer, de plaatselijke vorst, kreeg langzamerhand ook eigen bevoegdheden die oorspronkelijk aan de Koning toebehoorden, zoals rechtspraak, wetgevende taken en het recht om tol te heffen.
Die eigen bevoegdheden van de landsheer vroegen echter om extra inkomsten, naast de inkomsten die zij verkregen uit hun eigen domeinen, zoals door tolheffing. De landsheren vroegen daarom om een extra (vrijwillige) bijdrage aan hun onderdanen, veelal in ruil voor privileges.3 Deze bijdrage werd de bede genoemd4 en was als het ware een belastingheffing. De bede kon onderscheiden worden in de gewone bede en de buitengewone bede.
De gewone bede werd jaarlijks geheven en werd al snel geïnd als vaste bijdrage.5 De buitengewone bede was een bijzondere bijdrage die werd geheven bij bijzondere gelegenheden zoals bij het huwelijk van de zoon van de landsheer of als er sprake was van nood van het land.6 Hoewel deze buitengewone bede (in vorm) vrijwillig was, kon deze eigenlijk niet worden geweigerd zolang de landsheer niet meer vroeg dan strikt noodzakelijk – de zogenoemde justa causa – waarmee het recht van de landheer op de bijdrage vast kwam te staan.7