Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/6.5.2.4
6.5.2.4 De doen pleger, de uitlokker en de medeplichtige
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940782:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Art. 47 en 48 Sr. Zie Kamerstukken II 2013/14, 33 754, nr. 3, p. 7-9 en p. 35-39, in samenhang met Kamerstukken II 2013/14, 33 754, nr. 13 (het amendement waarbij art. 67o AWR – en dus de uitbreiding van de deelnemingsvormen naar de fiscaliteit – is ingevoerd).
Blijkens een Brief van de Staatssecretaris van Financiën van 16 november 2017 (zie V-N 2017/60.5) waren er tot op dat moment nog geen boetes op grond van art. 67o AWR opgelegd. Zie daarover ook Kamerstukken II 2018/19, 35 027, nr. 3, p. 20.
Ook op het terrein van de toeslagen zijn deze deelnemingsvormen opgenomen, en wel in art. 41bis Awir (alsmede – via verwijzing - in art. 40 lid 2 en art. 41 lid 4 Awir). De uitbreiding in de Awir was zelfs de aanleiding voor de uitbreiding in het belastingrecht. Wel heeft de wetgever een horizonbepaling aangebracht, die nadien (bij art. XV van de wet Overige Fiscale Maatregelen 2019) is verlengd tot 1 januari 2024. Op grond van die horizonbepaling zouden artikel 67o AWR en artikel 41bis Awir vervallen met ingang van 1 januari 2024, tenzij voor die datum een voorstel van wet bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal zou zijn ingediend dat in het onderwerp van die artikelen voorziet. Een dergelijk voorstel valt echter niet op korte termijn te verwachten. In plaats daarvan heeft de wetgever aangekondigd de horizonbepaling met nog eens 5 jaren te willen verlengen (tot 1 januari 2029). Deze verlenging is opgenomen in art. XXVII van het Belastingplan 2024 (36 418).
Bijvoorbeeld omdat die ander niet met opzet of grove schuld heeft gehandeld.
Zie ook Haas & Jansen 2019, p. 12.
Zie over deze deelnemingsvormen nader Haas 2018, par. 3.2 en 3.3 en Haas & Jansen 2019, par. 2.1. Zie voor deze leerstukken in het strafrecht Meijer, Seuters & Ter Haar 2013, hoofdstuk 3 en De Hullu 2006, hoofdstuk VII.
Zie over deze deelnemingsvorm nader Haas 2018, par. 3.3 en Haas & Jansen 2019, par. 2.1. Zie voor deze leerstukken in het strafrecht Meijer, Seuters & Ter Haar 2013, hoofdstuk 3 en De Hullu 2006, hoofdstuk VII.
Zie over medeplegen nader paragraaf 6.5.2.2 hiervoor.
De wetgever heeft immers uitdrukkelijk beoogd dat het begrip ‘medeplegen’ in art. 5:1 Awb op dezelfde wijze wordt uitgelegd als in het strafrecht (zie paragraaf 6.5.2.2). Hetzelfde geldt voor het begrip ‘medeplichtigheid’, zie Kamerstukken II 2013/14, 33 754, nr. 3, p. 7-9 en p. 35-39, in samenhang met Kamerstukken II 2013/14, 33 754, nr. 13.
In dit kader is het arrest HR 2 december 2014 (strafkamer), V-N 2015/11.7, NJ 2015, 390 (overzichtsarrest) van belang, waarin handreikingen worden gegeven voor de vereisten voor medeplegen en voor het maken van het onderscheid met medeplichtigheid (zie met name r.o. 3.2.1 e.v.). Zie ook Haas 2018, p. 18.
Aldus ook: Haas & Jansen 2019, p. 13, Haas 2018, p. 17. Zie over deze boetes nader paragraaf 5.2.2.3, paragraaf 5.2.3 en paragraaf 5.3.
Zie par. 2 (met name lid 2 tot en met lid 5) BBBB. Aldus ook: Haas 2018, p. 17. Volgens paragraaf 63b.1 Leidraad Invordering 2008 zijn de bepalingen van hoofdstuk 1 van het BBBB (waaronder par. 2) ook van toepassing op de verzuimboetes van art. 63b Inv. ‘voor zover deze een invulling geven aan het geldende wettelijke kader’. Daaruit kan naar mijn mening worden afgeleid dat zij van overeenkomstige toepassing zijn.
Vgl. Hof Amsterdam 14 juni 2022, V-N 2022/42.21, r.o. 12-15, Hof Amsterdam 4 februari 2020, V-N 2020/16.26, r.o. 4.5, Hof Arnhem-Leeuwarden 23 mei 2018, V-N 2018/31.22, r.o. 4.26.
Vgl. de suggestie van de Hoge Raad in HR 2 december 2014 (strafkamer), V-N 2015/11.7, NJ 2015, 390 (overzichtsarrest), r.o. 3.3.2.
De belastingwetgever heeft de kring van personen aan wie een boete kan worden opgelegd met ingang van 2014 verder uitgebreid, door in art. 67o AWR ook de strafrechtelijke figuren van de doen pleger, de uitlokker en de medeplichtige boeterechtelijk aansprakelijk te stellen.1 Deze zogenoemde deelnemingsvormen zijn – net als de daderschapsfiguren van de medepleger en de feitelijk leidinggever – rechtstreeks uit het strafrecht geïmporteerd.2 Ook aan al deze personen kan dus een fiscale bestuurlijke boete worden opgelegd,3 ondanks dat zij zelf niet de volgens de delictsomschrijving vereiste kwaliteit van belastingplichtige of inhoudingsplichtige hebben.4
Bij de deelnemingsvormen doen plegen, uitlokking en medeplichtigheid is er steeds sprake van het leveren van een bepaalde bijdrage aan het plegen van een beboetbaar feit. Bij doen plegen wordt het beboetbare feit gepleegd door een ander, die zelf niet beboetbaar is.5 De doen pleger laat het beboetbare feit door die ander uitvoeren. Ook bij uitlokking wordt een ander, de uitgelokte, aangezet tot het plegen van een beboetbaar feit,6 maar bij deze variant is de uitgelokte zelf wel beboetbaar. De praktische betekenis van doen plegen en uitlokking voor het belastingrecht is naar verwachting gering.7 Daarom laat ik een verdere bespreking hier achterwege.8
De deelnemingsvorm medeplichtigheid is van groter belang,9 in de eerste plaats omdat medeplichtigheid ten aanzien van fiscale verzuimboetes wettelijk is uitgesloten.10 Alleen medeplichtigheid aan het begaan van een fiscaal vergrijp kan worden beboet. In de tweede plaats wordt het wettelijk strafmaximum dat op de boete is gesteld, in geval van medeplichtigheid met een derde verminderd.11 Als de betrokkenheid van de boeteling niet verder gaat dan medeplichtigheid, kan de inspecteur hem dus alleen een vergrijpboete opleggen, waarbij bovendien de strafmaat een derde lager is. Om deze redenen is met name de afbakening ten opzichte van medeplegen van belang.12 Het is te verwachten dat de belastingkamer van de Hoge Raad de betekenis van de begrippen medepleger en medeplichtige uit het strafrecht zal volgen. Naar mijn mening kunnen de uitgangspunten die de strafkamer daaromtrent heeft geformuleerd in het belastingrecht overeenkomstig worden toegepast.13 In de kern komen die uitgangspunten erop neer dat waar het verwijt zich bij medeplegen concentreert op het substantiële gewicht van de intellectuele en/of materiële bijdrage van de boeteling aan het begaan van het beboetbare feit, het kernverwijt bij medeplichtigheid is het opzettelijk bevorderen en/of vergemakkelijken van een (door een ander begaan) beboetbaar feit.14
Van belang is nog om op te merken dat de wettelijk formulering van art. 67o AWR op zijn zachtst gezegd ongelukkig is. Zowel in lid 2 als in lid 3 wordt uitdrukkelijk verwezen naar de algemeen geldende fiscale bestuurlijk boetes uit Afdeling 1 van Hoofdstuk VIIIA van de AWR (de artikelen 67a tot en met 67f AWR). Daaruit lijkt te volgen dat bij medeplichtigheid alleen de daar geregelde verzuimboetes niet kunnen worden opgelegd en dat alleen bij de daar geregelde vergrijpboetes het strafmaximum een derde lager is. Dat is echter niet de bedoeling van de wetgever geweest.15 Het moet er daarom – in weerwil van de letterlijke tekst van art. 67o AWR – voor worden gehouden dat deze beperkingen bij medeplichtigheid gelden voor het gehele fiscale bestuurlijke boeterecht. Die beperkingen gelden dus ook voor de boetes die geregeld zijn buiten Afdeling 1 van Hoofdstuk VIIIA van de AWR, zoals de vergrijpboete van art. 10a AWR, de verzuimboetes uit de Invorderingswet en de bijzondere verzuim- en vergrijpboetes.16 Dat is nadrukkelijk ook de insteek van de beleidgever geweest.17
Wanneer de inspecteur aan een doen pleger, een uitlokker of een medeplichtige een boete oplegt, zal hij dus moeten bewijzen dat diegene inderdaad de betreffende hoedanigheid heeft.18 Voor wat betreft de deelnemingsvorm medeplichtigheid is vanwege de afbakening met medeplegen oplettendheid geboden. De inspecteur kan zichzelf in twijfel- of grensgevallen een dienst bewijzen door bij het opleggen van een vergrijpboete beide hoedanigheden te verdedigen (door primair medeplegen en subsidiair medeplichtigheid te stellen).19