De positie van aandeelhouders in beursvennootschappen
Einde inhoudsopgave
De positie van aandeelhouders in beursvennootschappen (IVOR nr. 103) 2017/4.4.1:4.4.1 Finance en corporate governance
De positie van aandeelhouders in beursvennootschappen (IVOR nr. 103) 2017/4.4.1
4.4.1 Finance en corporate governance
Documentgegevens:
F.G.K. Overkleeft, datum 28-05-2017
- Datum
28-05-2017
- Auteur
F.G.K. Overkleeft
- JCDI
JCDI:ADS389451:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
R.H. Coase, ‘The Nature of the Firm’, Economica 1937, p. 386-405.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een natuurlijk domein voor de toepassing van law & economics-benaderingen was (en is) het ondernemingsrecht. Ondernemingen nemen als bundeling van productiemiddelen een bijzondere plaats in het productieproces in de reële economie in. Voor de wijze waarop het ondernemingsgewijze productieproces plaatsvindt is onder meer de interne inrichting van de onderneming van belang. Het ondernemingsrecht is op zijn beurt weer een relevante factor voor deze interne inrichting van de onderneming in die zin dat het een juridisch kader geeft waarbinnen de vorm en de interne inrichting van een onderneming kunnen worden bepaald. Reeds voor het ontstaan van de law & economics-beweging hadden economen, waaronder Coase zelf in een baanbrekend artikel uit 1937,1 het verschijnsel van de onderneming in een economisch perspectief geanalyseerd. In zoverre lag een economische analyse van het ondernemingsrecht in het logische verlengde hiervan.
Bij de invulling van deze economische analyse werd voor beursondernemingen een opmerkelijke stap gezet. Beursondernemingen – in de Verenigde Staten historisch gezien veel talrijker in aantal dan bijvoorbeeld in Nederland – opereren niet alleen in de reële economie, maar ook in de financiële economie van de kapitaalmarkten. In beperkte zin betekent dit dat de financieringsfunctie ten behoeve van de onderneming via een staande kapitaalmarkt is georganiseerd. De opmerkelijke stap bestond erin dat economen met behulp van de inzichten over de werking van kapitaalmarkten een bredere betekenis van de blootstelling van beursondernemingen aan de financiële markt formuleerden. De Efficient Market Hypothesis werd impliciet een bouwsteen voor de economische analyse van de beursonderneming, waardoor het mogelijk werd om bredere implicaties te verbinden aan de invloed van financiële markten op de interne verhoudingen bij beursondernemingen. De plaats van de hypothetische perfecte markt zonder transactiekosten in de Coase Theorem werd als het ware opgevuld met de efficiënt werkende kapitaalmarkt van Fama. Deze stap stond in feite aan de basis van de ontwikkeling van de rechtseconomische analyse van het fenomeen corporate governance.