De autonomie van de leraar
Einde inhoudsopgave
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/2.3.1:2.3.1 Inleiding
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/2.3.1
2.3.1 Inleiding
Documentgegevens:
J.S. Buiting, datum 07-02-2024
- Datum
07-02-2024
- Auteur
J.S. Buiting
- JCDI
JCDI:ADS949355:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld Boekholt e.a. 2002, p. 286, Huisman en Vermeulen 2007 en p. 12, Huisman e.a. 2018, p. 99.
Mackor 2011a, p. 144.
Sutton 2001, p. 225.
Sutton 2001, p. 228.
Sutton 2001, p. 229.
Zie voor soortgelijke overzichten van de kenmerken van beroepen: Mackor 2011a, p. 144-145, Sutton 2001, p. 224-229 en Bruin 2018, p. 5-11.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In deze paragraaf wordt nader ingegaan op de autonomie van een professional, zoals de leraar. In de literatuur wordt aangenomen dat aan de leraar autonomie toekomt.1 Zijn autonomie wordt aangeduid als pedagogische of professionele autonomie. In deze paragraaf staat professionele autonomie centraal, in § 2.4 wordt nader ingegaan op de pedagogische autonomie van de individuele leraar. Professionele autonomie speelt op twee niveaus een rol; op het niveau van de beroepsgroep en op het niveau van de individuele beroepsbeoefenaren.2 Met een beroepsgroep wordt de collectiviteit van personen bedoeld die een bepaald beroep uitoefenen. De beroepsbeoefenaar is het individu dat dit beroep uitoefent. Aan zowel de beroepsgroep als de individuele beroepsbeoefenaar kan professionele autonomie toekomen.
Durkheim ziet groepen van beroepsbeoefenaren als structuren die een belang van de samenleving als geheel dienen.3 Deze beroepsbeoefenaren reguleren zichzelf en dienen autonoom een bepaald algemeen belang. De beroepsgroepen en hun beroepsbeoefenaren stellen met hun expertise een bepaalde dienst ter beschikking aan de samenleving. Deze dienst draagt bij aan het verwezenlijken van een algemeen belang van de samenleving als geheel en aan het belang van de individuele cliënt. Denk aan de arts die zowel bijdraagt aan de gezondheid van de samenleving als geheel en aan de gezondheid van zijn patiënt. Weber ziet autonomie van een beroepsgroep in dezelfde zin, maar ziet ook dat alle werkenden in alle beroepen streven naar zo veel mogelijk prestige en inkomen.4 De meest effectieve wijze om dit te bereiken is een monopolie op de beroepsuitoefening van het betreffende beroep te vestigen. Zodra de beroepsgroep controle heeft over wie het beroep uit mag oefenen, heeft de beroepsgroep de macht om concurrentie te beperken, salarissen aan te passen en de beroepsuitoefening nader in te richten. Om een beroepsgroep te worden moeten de beroepsbeoefenaren eerst zelf hun expertise in de handel brengen.5 Vervolgens kunnen deze beroepsgroepen zich institutionaliseren door een beroepsorganisatie op te richten, een professioneel statuut te schrijven en de toelating tot de beroepsgroep te beperken. Volgens Weber kan de beroepsgroep zich door zijn expertise en status gaan beroepen op professionele autonomie. Door dit beroep op autonomie wordt het monopolie van de beroepsgroep op de beroepsuitoefening verder versterkt.
In de literatuur wordt aangenomen dat beroepen met professionele autonomie vergelijkbare kenmerken delen. Zij hebben specifieke kennis, een bepaalde samenhang, autonomie, een algemeen belang dat ze behartigen en vertrouwen van de samenleving en de individuele cliënt.6 In het vervolg van deze paragraaf wordt stilgestaan bij deze kenmerken en worden deze kenmerken toegepast op de leraar.