Einde inhoudsopgave
Misleidende beursberichten (IVOR nr. 124) 2022/1.4.1
1.4.1 Inleiding
mr. drs. A.C.W. Pijls, datum 01-07-2022
- Datum
01-07-2022
- Auteur
mr. drs. A.C.W. Pijls
- JCDI
JCDI:ADS655776:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
In het vervolg van § 1.4 zal ik het csqn-verband in beginsel aanduiden als het ‘causaal verband’. De term ‘causaal verband’ heeft in deze paragraaf dus slechts de beperkte betekenis van het csqn-verband en hiermee wordt niet mede gedoeld op het toerekeningsverband. Alleen wanneer dat nodig is om verwarring met het toerekeningsverband te voorkomen, maak ik in § 1.4 nog gebruik van de term ‘csqn-verband’.
Aldus Klaassen 2007, p. 1349. Aldus ook De Jong 2010, p. 253.
Aldus Klaassen 2017 (Mon. BW B35), nr. 20.2. Zie over de vereiste mate van (on)zekerheid onder meer Akkermans 1997, p. 89-90; Peeperkorn 2000, p. 67; Giesen 2001, p. 59-60; Klaassen 2007, p. 1349-1351.
Vgl. Akkermans 2002, p. 114-115; Akkermans 2009, p. 95-96. Vgl. ook Blomsma, Van Kessel & Scheltema 2010, p. 17-18.
Aldus Akkermans 2002, p. 115; Akkermans 2009, p. 95.
Blomsma, Van Kessel & Scheltema 2010, p. 18; Akkermans 1997, p. 404; Giesen 2001, p. 445-447.
Zie voor een bespreking van de verschillende mogelijkheden om de bewijslast van de belegger ten aanzien van het causaal verband te verlichten bij informatieverzuimen in de beleggingspraktijk Klaassen 2013, p. 127-174; Schild 2009, p. 254-264 en bij informatieverzuimen in het algemeen Giesen & Maes 2014, p. 219-232. En zie voor een bespreking van de verschillende mogelijkheden om de belegger in zijn bewijslast tegemoet te komen bij de aansprakelijkheid van een vermogensbeheerder Busch 2014 (Mon. BW B8), nr. 23.
Volgens de hoofdregel van art. 150 Rv dient degene die in rechte schadevergoeding vordert in beginsel het causaal verband (in de zin van het csqn-verband)1 te bewijzen tussen enerzijds de gedraging of gebeurtenis waarop hij zijn vordering tot schadevergoeding baseert en anderzijds de door hem gestelde schade.2 Voor het bewijs van causaal verband geldt dat niet is vereist dat honderd procent zekerheid bestaat dat een bepaalde schadepost door de aansprakelijkheidvestigende gebeurtenis is veroorzaakt.3 De rechter weegt de feiten die zijn komen vast te staan en oordeelt op basis daarvan of het hem voldoende waarschijnlijk voorkomt dat de schade waarvan vergoeding wordt gevorderd zonder de aansprakelijkheidvestigende gebeurtenis achterwege zou zijn gebleven.4 Over de exacte mate van (on)zekerheid die in dit verband acceptabel is, zijn de meningen verdeeld.5
Hoewel voor het bewijs van causaal verband dus geen absolute zekerheid is vereist, zijn velen het erover eens dat zich hier – althans, in theorie – een structureel probleem voordoet.6 Dit hangt samen met het feit dat bij het causaal verband steeds een vergelijking moet worden gemaakt met de hypothetische situatie zoals die bij afwezigheid van de aansprakelijkheidvestigende gebeurtenis zou zijn geweest (of wellicht beter gezegd: zou zijn geworden).7Deze hypothetische gang van zaken laat zich echter onmogelijk met zekerheid vaststellen. Bij hypothetische gebeurtenissen gaat het immers niet om ‘feiten’ die zich daadwerkelijk hebben voorgedaan en die kunnen worden bewezen, maar slechts om ‘veronderstellingen’ die per definitie niet hebben plaatsgevonden en waaraan slechts een bepaalde mate van waarschijnlijkheid kan worden toegekend.8 Men zou daarom kunnen zeggen dat het bewijs van causaal verband ‘per definitie’ gepaard gaat met onzekerheid. Zou dus steeds onverkort aan de hoofdregel van art. 150 Rv en/of de (voor civiele procedures geldende) reguliere bewijswaarderingsmaatstaf worden vastgehouden, dan zou de benadeelde onnodig vaak aan het kortste eind trekken.9
Om dit probleem te ondervangen zijn in de doctrine voor verschillende gevalstypen oplossingen ontwikkeld – oplossingen die soms de status van ‘regel’ hebben – om de benadeelde in zijn bewijslast tegemoet te komen.10 In deze paragraaf bespreek ik een aantal van die oplossingen. In § 1.4.2 worden eerst drie procesrechtelijke (in de zin van bewijsrechtelijke) oplossingen besproken waarmee de bewijslast van de benadeelde kan worden verlicht. Daarna behandel ik in § 1.4.3 twee materieelrechtelijke oplossingen, te weten het leerstuk van proportionele aansprakelijkheid en het leerstuk van (de vergoeding van) het verlies van een kans. Tot slot sta ik in § 1.4.4 stil bij drie arresten van de Hoge Raad op het terrein van beleggingsschade, waarin hij is ingegaan op het bewijs van causaal verband tussen de door de bank en/of uitgevende instelling begane normschending en de door de belegger geleden beleggingsschade.