Einde inhoudsopgave
Misleidende beursberichten (IVOR nr. 124) 2022/1.4.4
1.4.4 Drie arresten van de Hoge Raad over het bewijs van causaal verband bij beleggingsschade
mr. drs. A.C.W. Pijls, datum 01-07-2022
- Datum
01-07-2022
- Auteur
mr. drs. A.C.W. Pijls
- JCDI
JCDI:ADS655779:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
HR 5 juni 2009, NJ 2012/182, m.nt. J.B.M. Vranken onder NJ 2012/184; JOR 2009/199, m.nt. C.W.M. Lieverse (De Treek/Dexia), r.o. 5.5.1-5.5.3 respectievelijk HR 5 juni 2009, NJ 2012/183, m.nt. J.B.M. Vranken onder NJ 2012/184 (Levob/Bolle), r.o. 4.7.8-4.7.10. Zie over deze arresten ook het heldere commentaar van Lindenbergh & Van Boom 2010, p. 188-196.
HR 24 december 2010, NJ 2011/251, m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai; JOR 2011/54, m.nt. A.C.W. Pijls; Lindenbergh & Pape 2011, AA 2011, afl. 10, p. 720-725 (Fortis/Bourgonje).
HR 27 november 2009, NJ 2014/201, m.nt. C.E. du Perron; JOR 2010/43, m.nt. K. Frielink (VEB e.a./World Online e.a.).
HR 8 februari 2013, NJ 2014/495, m.nt. J. Hijma onder NJ 2014/497; JOR 2013/108, m.nt. B.T.M. van der Wiel onder JOR 2013/106 (F. van Lanschot Bankiers N.V./Grove e.a.). Het hof lijkt in deze zaak bij zijn oordeel over het causaal verband tussen de zorgplichtschending van de bank en de beleggingsbeslissing van de belegger het door de Hoge Raad in het World Online-arrest geformuleerde ‘uitgangspunt’ te hebben toegepast. Dit oordeel wordt in r.o. 3.7.2 van het arrest van de Hoge Raad geherformuleerd en vervolgens zegt hij dat ‘[a]ldus begrepen (…) het oordeel van het hof niet blijk [geeft] van een onjuiste opvatting omtrent de stelplicht en bewijslast met betrekking tot het vereiste [csqn]-verband’ (toevoegingen ACWP). Zie over deze overweging uitgebreider Klaassen 2013, p. 134-136; De Bie Leuveling Tjeenk 2014, p. 321.
HR 3 februari 2012, JOR 2012/116, m.nt. S.B. van Baalen (Coöperatieve Rabobank Vaart en Vecht U.A./X). In dit arrest ging het eveneens om een bank die jegens haar particuliere cliënt in haar onderzoeks- en waarschuwingsplicht was tekortgeschoten. In deze zaak was het hof in zijn overweging over het causaal verband niet expliciet ingegaan op (de al dan niet aannemelijkheid van) het csqn-verband. De Hoge Raad sauveert in r.o. 3.7.1 dit oordeel van het hof door aan te nemen dat het hof het csqn-verband met toepassing van de hoofdregel van art. 150 Rv aannemelijk heeft geacht. Zie over dit oordeel van de Hoge Raad uitgebreider: Busch 2012, p. 59; Klaassen 2013, p. 131-134; De Bie Leuveling Tjeenk 2014, p. 321-322. En zie voor een analoge toepassing van de overweging van de Hoge Raad over het bewijs van het causaal verband in het Rabobank Vaart en Vecht/X-arrest de uitspraak Commissie van Beroep Financiële Dienstverlening nr. 2016-002 d.d. 27 januari 2016.
In de afgelopen jaren heeft de Hoge Raad ook op het terrein van beleggingsschade een aantal arresten gewezen waarin hij belangrijke overwegingen heeft gewijd aan het bewijs van causaal verband. Van drie arresten, te weten de effectenlease-arresten,1 het arrest Fortis/ Bourgonje2 en het World Online-arrest3 zal ik de relevante rechtsoverwegingen hier kort bespreken. Andere arresten op het terrein van het beleggingsschade waarin het bewijs van causaal verband aan de orde was, zoals het arrest F. van Lanschot Bankiers N.V./Grove e.a.4 en het arrest Rabobank Vaart en Vecht/X,5 laat ik hier verder onbesproken, aangezien de Hoge Raad in deze arresten geen (nieuwe) rechtsregels heeft geformuleerd (althans niet voor het bewijs van het causaal verband).
1.4.4.1 De effectenlease-arresten1.4.4.2 Het arrest Fortis/Bourgonje1.4.4.3 Het World Online-arrest