Einde inhoudsopgave
Scheiding van zeggenschap en belang in de familiesfeer (FM nr. 162) 2020/7.10.3
7.10.3 Gevolgen van beëindiging
Mr. dr. A.E. de Leeuw, datum 29-02-2020
- Datum
29-02-2020
- Auteur
Mr. dr. A.E. de Leeuw
- JCDI
JCDI:ADS232888:1
- Vakgebied(en)
Vermogensbelasting (V)
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Vergelijk Vegter, preadvies 2004, pagina 118, alsmede Van den Ingh, dissertatie 1991, pagina 82 en F.K. Buijn en P.M. Storm, BV en NV in de praktijk, Kluwer Deventer 2013, pagina 190.
Bij certificaten op naam wordt doorgaans geen fysiek certificaat uitgegeven. Indien dat om enige reden wel het geval mocht zijn, of indien sprake is van certificaten aan toonder of order, verdient het aanbeveling om de certificaathouder te verplichten om de certificaten bij decertificering aan de STAK terug te geven, om te voorkomen dat “loze” certificaten blijven rondzwerven.
Zie paragraaf 7.8.2.3.
Op grond van de beheersovereenkomst heeft de certificaathouder een aanspraak op (een evenredig deel van) het gecertificeerde vermogen waar zijn certificaten betrekking op hebben. Indien gedecertificeerd wordt, om welke reden dan ook, dan dient de STAK derhalve dit vermogen aan de certificaathouder over te dragen, ten titel van einde van het beheer.1 Indien het (oorspronkelijk) gecertificeerde vermogen teniet is gegaan en daarvoor in de plaats een (vordering tot) schadevergoeding is gekomen, verkrijgt de certificaathouder zijn aandeel daarin. De certificaathouder heeft in beginsel op het moment van decertificering geen verplichtingen meer jegens de STAK die nagekomen zullen moeten worden, zodat geen prestatie tegenover de overdracht van het gecertificeerde vermogen staat. Als gevolg van overdracht van het gecertificeerde vermogen is de vordering van de certificaathouder voldaan, zodat het certificaat vervalt.2
Het voorgaande gaat uit van een situatie waarin de STAK in staat is om aan al haar verplichtingen, jegens de certificaathouder(s) en eventuele andere crediteuren, te voldoen. Hoewel niet heel waarschijnlijk, is echter niet ondenkbaar dat de STAK meer verplichtingen heeft dan die jegens de certificaathouders of zelfs failliet gaat, bijvoorbeeld indien sprake is van een beleggingsfondsachtige structuur en een lening is aangetrokken voor de aankoop van beleggingen en tegen de verwachtingen in het rendement op de beleggingen lager is dan de rente op de lening. Voor de hand ligt om in de administratievoorwaarden te bepalen dat faillissement van de STAK leidt tot decertificering, aangezien het laten voortduren van de certificering in die situatie niet goed denkbaar is. Behoudens indien sprake is van zekerheidsrechten die de positie van de certificaathouders versterken,3 zijn zij echter slechts concurrent crediteur in het faillissement van de STAK.