Ambtshalve toepassing van EU-recht
Einde inhoudsopgave
Ambtshalve toepassing van EU-recht (BPP nr. XIV) 2012/2.4.2:2.4.2 Aerts q.q.
Ambtshalve toepassing van EU-recht (BPP nr. XIV) 2012/2.4.2
2.4.2 Aerts q.q.
Documentgegevens:
Mr. A.G.F. Ancery, datum 01-08-2012
- Datum
01-08-2012
- Auteur
Mr. A.G.F. Ancery
- JCDI
JCDI:ADS304565:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 14 maart 2008, NJ 2008, 466 (Aerts q.q.), r.o. 4.3.2 (m.nt. H.J. Snijders).
Lindijer 2007.
Vgl. Snijders in zijn annotatie onder het arrest (NJ 2008, 466), sub. 5.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
42
De zaak-Aerts q.q. betrof een aansprakelijkstelling van een bestuurder van een gefailleerde vennootschap vanwege onbehoorlijke taakvervulling in de zin van artikel 2:248, lid 1 BW. Pas eerst in appel bleek de vennootschap waarvan de aansprakelijk gestelde persoon bestuurder was zelf geen bestuurder te zijn van de gefailleerde vennootschap. De aansprakelijkstelling uit hoofde van artikel 2:248, lid 1 BW kon daarom niet slagen. Bij het getuigenverhoor in appel waren echter wel feiten naar voren gekomen waaruit bleek dat de door de curator aangesproken persoon wel als feitelijk bestuurder van de gefailleerde vennootschap was opgetreden. Een dergelijke persoon kan eveneens aansprakelijk worden gesteld wegens onbehoorlijke taakvervulling, maar daarvoor bestaat een zelfstandige grondslag in artikel 2:248, lid 7 BW. Dit artikellid was door de curator niet aan de vordering ten grondslag gelegd.
Het hof stelde daaropvolgend partijen in de gelegenheid zich uit te laten over een aansprakelijkheid van de feitelijk bestuurder ex artikel 2:248, lid 7 jo. 2:11 BW. De curator benutte die kans om artikel 2:248, lid 7 BW aan zijn vordering ten grondslag te leggen. In cassatie werd geklaagd over deze handelswijze van het hof. Dat middel werd door de Hoge Raad verworpen:
“4.3.2 (...) Het hof heeft terecht overwogen dat het daarom de vordering niet op die grondslag mocht toewijzen, omdat het hof daarmee niet alleen, zoals het hof heeft onderkend, het beginsel van hoor en wederhoor zou hebben geschonden, maar ook omdat het daarmee buiten de rechtsstrijd van partijen zou zijn getreden. Het stond het hof echter, gelet op het verloop van het processuele debat, vrij de curator in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over een, zoals in dit geval voor de hand lag, op art. 2:248 lid 7 in verbinding met lid 1 en/of lid 2 en art. 2:11 BW te baseren aansprakelijkheid van X. Daarbijverdient opmerking dat voor heropening van het partijdebat aanleiding werd gevonden in de omstandigheid dat inmiddels bij het getuigenverhoor feiten aan het licht waren gekomen die wezen op aansprakelijkheid op grond van een ander lid van dezelfde bepaling die al aan de vordering wegens bestuurdersaansprakelijkheid ten grondslag was gelegd.”1
In deze zaak was door de aansprakelijk gestelde persoon geen bezwaar gemaakt tegen de late aanvulling van de rechtsgrondslag door de curator. Daardoor behoefde het hof niet te treden in een beoordeling of deze late aanvulling zich verdroeg met de goede procesorde.2 Ook nu knoopte de Hoge Raad weer aan bij het processuele debat. Het beroep op het artikellid lag voor de hand, net zoals het beroep op eigen schuld in de zaak-Regiopolitie/Hovax voor de hand lag.3 Gezien de overeenkomst tussen beide arresten komt de vraag op of deze jurisprudentie een algemener bereik kan worden toegekend.