Einde inhoudsopgave
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/1.4.6
1.4.6 Eigendomsrecht op een bestanddeel
mr. J.C.T.F. Lokin, datum 01-03-2022
- Datum
01-03-2022
- Auteur
mr. J.C.T.F. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS644829:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
D. 41, 1, 7, 10 (Gaius): “Cum in suo loco aliquis aliena materia aedificaverit, ipse dominus intellegitur aedificii, quia omne quod inaedificatur solo cedit. Nec tamen ideo is qui materiae dominus fuit desiit eius dominus esse (…).”
Voor meer voorbeelden van deze twee eigendomsrechten zie: D. 6, 1, 59 (Julianus); D. 6, 1, 23, 5 en 7 (Paulus); D. 7, 1, 15 (Ulpianus); D. 41, 1, 7, 10 en 12 (Gaius); D. 41, 3, 23 (Javolenus); C. 3, 32, 2.
D. 30, 9 (Pomponius): “Id quod apud hostes est legari posse Octavenus scripsit et postliminii iure consistere.” “Hetgeen in de macht van de vijand is, kan gelegateerd worden, en dit legaat verkrijgt dan op grond van het terugkeerrecht geldigheid. Aldus heeft Octavenus geschreven.” Zie ook: D. 30, 98 (Julianus): “Servus ab hostibus captus recte legatur: hoc enim iure postliminii fit, ut, quemadmodum heredem instituere possumus servum qui in hostium potestate est, ita legare quoque eum possumus.” “Een door de vijand gevangengenomen slaaf kan rechtsgeldig gelegateerd worden; het recht van terugkeer bewerkstelligt namelijk dat wij, zoals wij een slaaf die in de macht van de vijand is tot erfgenaam kunnen instellen, hem ook kunnen legateren.” Zie voor meer uitleg over het ius postlimini : Inst. 1, 12, 5. Zie ook: D. 10, 2, 7; D. 10, 2, 22, 5 en D. 10, 2, 23.
D. 1, 8, 5, 1 (Gaius): “In mare piscantibus liberum est casam in litore ponere, in qua se recipiant.”
D. 1, 8, 6, pr (Marcianus): “in tantum, ut et soli domini constituantur qui ibi aedificant, sed quamdiu aedificium manet: alioquin aedificio dilapso quasi iure postliminii revertitur locus in pristinam causam, et si alius in eodem loco aedificaverit, eius fiet.” Zie ook D. 41, 1, 14, 1 (Neratius): “Illud videndum est, sublato aedificio, quod in litore positum erat, cuius condicionis is locus sit, hoc est utrum maneat eius cuius fuit aedificium, an rursus in pristinam causam reccidit perindeque publicus sit, ac si numquam in eo aedificatum fuisset. quod propius est, ut existimari debeat, si modo recipit pristinam litoris speciem” “Als een gebouw dat op het strand was opgetrokken, afgebroken is, dient bezien te worden welke de rechtstoestand van het terrein is, d.w.z. of het blijft van degene aan wie het gebouw toebehoorde of dat het weer terugvalt in de oorspronkelijke toestand en precies op dezelfde manier publiekelijk is alsof daarop nooit een gebouw was opgetrokken. Het ligt meer in de rede dat deze laatste opvatting gehuldigd moet worden, als tenminste het terrein de oorspronkelijke gedaante van strand weer heeft herkregen.”
D. 6, 1, 59 (Julianus): “Habitator in aliena aedificia fenestras et ostia imposuit, eadem post annum dominus aedificiorum dempsit: quaero, is qui imposuerat possetne ea vindicare. Respondit posse: nam quae alienis aedificiis conexa essent, ea quamdiu iuncta manerent, eorundem aedificiorum esse, simul atque inde dempta essent, continuo in pristinam causam reverti.”
In de Digesten staan verschillende voorbeelden van slapende eigendomsrechten op bestanddelen van een zaak. Het eerste voorbeeld luidt als volgt:
“Wanneer iemand op eigen grond met andermans materiaal heeft gebouwd, wordt hij geacht zelf eigenaar te zijn van het gebouw, aangezien alles wat op de grond gebouwd wordt de grond volgt. Niettemin houdt degene die eigenaar van het materiaal was daardoor nog niet op eigenaar ervan te zijn.”1
De eigenaar van de grond (dominus soli) bezat de eigendom van het gebouw (proprietas aedificii). De bestanddelen oftewel de materialen behoorden echter toe aan een ander, de dominus materiae. Zolang deze materialen verbonden waren met de grond respectievelijk het gebouw, was de eigenaar van deze materialen niet in staat om zijn eigendomsrecht uit te oefenen.2 Werd de verbinding later ongedaan gemaakt door de afscheiding van het bestanddeel van de hoofdzaak, dan werd de oude toestand (pristina causa) hersteld. Marcianus maakte een vergelijking met het terugkeerrecht: het zogenaamde ius postliminii. Het ius postliminii kwam voornamelijk voor bij een gevangenneming van een pater familias door de vijand. Zo lang de pater familias gevangen zat en slaaf was geworden, had hij geen absolute macht over zijn descendenten. Op het ogenblik dat hij weer in vrijheid kwam, herkreeg hij ook zijn vroegere rechten en vielen de descendenten weer onder zijn absolute macht. Ook een zaak die zich in de macht van de vijand bevond, kon gelegateerd worden. Dit legaat verkreeg op grond van het terugkeerrecht geldigheid.3 Iets dergelijks gebeurde wanneer men een hutje op het strand bouwde.
“Zij die de zee bevissen, mogen op het strand een hutje zetten om daar op verhaal te komen,4 met dien verstande dat zij die daar bouwen ook eigenaren van de grond worden, maar slechts zolang als het bouwsel blijft staan. Als daarentegen het gebouw is ingestort, komt die plek als het ware volgens het terugkeerrecht in zijn voormalige toestand terug; en als een ander dan op diezelfde plek heeft gebouwd, wordt zij van hem.”5
Het strand was publiek terrein. Als een visser op het strand een huis bouwde, dan werd hij volgens de tekst eigenaar van het huis en het stukje strand waar het huis op stond. Als het huis vervolgens om wat voor reden ook weer werd afgebroken, dan herleefde de oude toestand als het ware door het ius postliminii. Het terrein waarop het huis had gestaan, werd weer publiek terrein. Op gelijke wijze werd een bestanddeel dat werd afgescheiden van de hoofdzaak weer een zelfstandige zaak. Op deze zelfstandige zaak herleefden de zakelijke rechten die ook vóór de verbinding op deze zaak rustten. De zakelijke rechten die door een verbinding buiten werking waren gesteld, maar nog niet teniet waren gegaan, werden automatisch, oftewel van rechtswege, geactiveerd als de verbinding weer ongedaan werd gemaakt.
“Een bewoner heeft in andermans gebouwen vensters en deuren aangebracht; na een jaar heeft de eigenaar van de gebouwen deze verwijderd. Ik werp de vraag op of degene die ze heeft aangebracht een eigendomsactie kan instellen. Hij heeft geantwoord dat dit mogelijk is. Want zaken die zijn aangebracht aan gebouwen van iemand anders, behoren zo lang zij ermee verbonden zijn tot die gebouwen, maar zodra ze eruit zijn losgemaakt keren zij terug in de vorige rechtstoestand.”6
Niet de eigenaar van de hoofdzaak werd eigenaar van de afgescheiden bestanddelen van deze zaak, maar degene die vóór de verbinding een eigendomsrecht had op de afgescheiden zaak. De zakenrechtelijke draad van vóór de verbinding werd weer opgepakt. Het eigendomsrecht van de oorspronkelijke eigenaar werd dus gecontinueerd.