Het algemene opschortingsrecht
Einde inhoudsopgave
Het algemene opschortingsrecht (R&P nr. CA27) 2024/3.3.1:3.3.1 Inleiding
Het algemene opschortingsrecht (R&P nr. CA27) 2024/3.3.1
3.3.1 Inleiding
Documentgegevens:
G.J. Boeve, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
G.J. Boeve
- JCDI
JCDI:ADS950395:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Aldus ook Asser/Hijma 7-I 2019/572. Zie anders Rb. Noord-Holland 30 juni 2021, ECLI:NL:RBNHO:2021:9956, r.o. 5.2, die onder verwijzing naar art. 6:52 en 6:262 BW overwoog: “Een partij kan zich met recht op opschorting beroepen als er sprake is van twee tegenover elkaar staande verbintenissen.”
Zie uitvoeriger Asser/Sieburgh 6-III 2022/1 e.v.; Asser/Sieburgh 6-I 2020/47 e.v. en Asser/Sieburgh 6-IV 2023/1.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Op grond van artikel 6:52 BW is voor een beroep op het algemene opschortingsrecht het bestaan van twee of meer verbintenissen vereist, waarbij partijen elkaars schuldeiser en schuldenaar zijn. Dat behoeven geen wederkerige verbintenissen als bedoeld in artikel 6:261 BW te zijn.1 Dit vereiste van het bestaan van twee of meer verbintenissen komt op verschillende wijzen tot uitdrukking in artikel 6:52 BW. Het wat dat betreft meest opvallende is de zinsnede ‘de verbintenissen over en weer’ in het tweede lid van dit artikel. Dit vereiste blijkt ook uit het eerste lid van dit artikel, dat refereert aan ‘een vordering’ van de schuldenaar op zijn wederpartij en ‘zijn verbintenis’ jegens die wederpartij. Met die begrippen worden in artikel 6:52 BW het vorderingsrecht van de schuldenaar op en zijn schuld jegens zijn wederpartij bedoeld. Daarmee komt tevens tot uitdrukking dat sprake is van ten minste twee vermogensrechtelijke betrekkingen tussen de betrokken partijen (§ 3.3.2). Wanneer een verplichting van een partij niet tevens als een verbintenis kwalificeert, waardoor niet aan het voormelde vereiste van het bestaan van twee of meerdere verbintenissen is voldaan, kunnen bepalingen uit de algemene opschortingsregeling in afdeling 6.1.7 BW van overeenkomstige toepassing zijn (§ 3.3.3).
De ontstaanswijze van verbintenissen komt niet aan de orde. Weliswaar gaat aan het bestaan van verbintenissen de vraag naar het ontstaan daarvan vooraf, maar die vraag gaat het bereik van dit onderzoek te buiten. Dat licht ik kort toe. Verbintenissen kunnen slechts ontstaan indien dit uit de wet voortvloeit (art. 6:1 BW). Als bronnen van verbintenissen worden hoofzakelijk de wet en de overeenkomst onderscheiden.2 De ontstaanswijze van verbintenissen is in beginsel echter niet van invloed op de toepasselijkheid van de titels 1 en 2 van Boek 6 BW.3 Dit uitgangspunt geldt ook voor de toepasselijkheid van artikel 6:52 BW, omdat het algemene opschortingsrecht is geregeld in afdeling 7 van titel 1 van Boek 6 BW.