Einde inhoudsopgave
Het algemene opschortingsrecht (R&P nr. CA27) 2024/3.3.2
3.3.2 Verbintenis en vordering
G.J. Boeve, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
G.J. Boeve
- JCDI
JCDI:ADS950327:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor uitzonderingen § 3.2.
Zie ook Smits 2003/4.
Krans & Wissink 2022/5; Asser/Sieburgh 6-I 2020/6 en Smits 2003/4.
Zie voor een overzicht Asser/Sieburgh 6-I 2020/6-12.
Asser/Sieburgh 6-I 2020/6. Zie tevens Krans & Wissink 2022/5 en voorts Van Dunné 2004, p. 4-5, met een korte historische weergave van deze definitie en verdere verwijzingen. Zie ook Smits 2003/4.
Zie Asser/Sieburgh 6-I 2020/33. Vgl. Smits 2003/4.
Asser/Sieburgh 6-I 2020/12. Zie ook Krans & Wissink 2022/6, tevens met voorbeelden van plaatsen waarop de wet spreekt van verbintenissen als rechtsbetrekking.
Aldus ook Asser/Sieburgh 6-I 2020/12 en Smits 2003/4.
Zie ook Krans & Wissink 2022/6, die eveneens opmerken ‘dat tegenover de schuld van de een het vorderingsrecht van de ander staat’.
Daarbij ga ik uit van het vermogensrechtelijke begrip van vorderingsrecht als relatief vermogensrecht (waarover Groeneveld-Tijssens, De verklaring voor recht (BPP nr. XVIII) 2015/11 en Snijders 1994, p. 5-6). Zie over het onderscheid tussen een subjectief recht, vorderingsrecht en rechtsvordering in de zin van het burgerlijk procesrecht o.a. Snijders, Klaassen, Krans & Meijer 2022/4; Hugenholtz/Heemskerk 2021/6 en Rueb, Gras, Hendrikse & Jongbloed2021/1.5.
In een geval waarin een schuldenaar de nakoming van zijn verplichting opschort, heeft hij doorgaans een prestatie te vorderen van zijn wederpartij.1 Wanneer deze wederzijdse verplichtingen kwalificeren als verbintenissen, wordt de uitoefening van dit opschortingsrecht beheerst door artikel 6:52 BW. In beide leden van dit wetsartikel komt tot uitdrukking dat het bestaan van ten minste twee verbintenissen een vereiste is voor opschortingsbevoegdheid. In deze paragraaf komt aan de orde hoe dit vereiste daaruit blijkt, door tevens in te gaan op de vraag wat met het begrip ‘verbintenis’ in artikel 6:52 BW wordt bedoeld.
Het begrip ‘verbintenis’ wordt in verschillende betekenissen gebruikt.2 Het begrip wordt zowel gebruikt ter aanduiding van een vermogensrechtelijke betrekking tussen partijen, als gebruikt ter aanduiding van de passieve zijde van deze rechtsbetrekking.3 Dat werk ik uit in het licht van artikel 6:52 BW, door eerst in te gaan op de vermogensrechtelijke betrekking tussen partijen.
In de wet staat geen definitie van het begrip ‘verbintenis’.4 In de literatuur zijn van dit begrip verschillende definities verschenen.5 Een gangbare definitie van dat begrip is:
“Onder verbintenis moet worden verstaan een vermogensrechtelijke betrekking tussen twee of meer personen, krachtens welke de een jegens de ander tot een prestatie gerechtigd is en deze jegens gene tot die prestatie verplicht is.”6
Aan deze definitie refereer ik verkort met ‘een vermogensrechtelijke betrekking’.
In artikel 6:52 BW wordt met ‘verbintenis’ niet een vermogensrechtelijke betrekking tussen partijen aangeduid, al impliceert het dit wel. Wat artikel 6:52 BW wel met ‘verbintenis’ bedoelt, illustreer ik mede aan de hand van het volgende voorbeeld:
B koopt een machine van A. A heeft de machine geleverd en B heeft de koopprijs nog niet voldaan. Door gebrekkig functioneren van de machine lijdt B schade. B verlangt schadevergoeding van A en schort in verband daarmee de betaling van de koopprijs op.
Tussen A en B is een koopovereenkomst tot stand gekomen. Deze rechtsverhouding bestaat uit verschillende verbintenissen in de zin van vermogensrechtelijke betrekkingen tussen de betrokken partijen, waaruit voor de ene partij (de schuldeiser) een recht voortvloeit en voor de andere partij (de schuldenaar) een met dat recht overeenstemmende plicht voortvloeit.7 Zo is B gehouden tot betaling van de koopsom en is A gerechtigd tot het ontvangen van die koopsom. A is op zijn beurt verplicht een deugdelijke machine te leveren en B heeft het recht die machine te verkrijgen. Door het leveren van een gebrekkige machine schiet A tekort in de nakoming van die leveringsverplichting en is hij schadevergoedingsplichtig jegens B, terwijl B recht op schadevergoeding heeft.
Het recht en de plicht vormen ieder een zijde van een vermogensrechtelijke betrekking. Zij vormen keerzijden van dezelfde munt. Deze zijden worden ook wel aangeduid als de ‘actieve’ en ‘passieve zijde’ van een dergelijke verbintenis. De tot een prestatie gerechtigde schuldeiser staat met zijn vorderingsrecht aan de actieve zijde en de tot een prestatie verplichte schuldenaar staat met zijn schuld aan de passieve zijde van de verbintenis.8 Op verschillende plaatsen in de wet wordt met het begrip ‘verbintenis’ enkel deze passieve zijde aangeduid.9 Ook in artikel 6:52 lid 1 BW refereert ‘zijn verbintenis’ aan de passieve zijde van een vermogensrechtelijke betrekking tussen de betrokken partijen.10 Dit artikellid doelt met dat begrip op de plicht en dus de schuld van de opschortingsbevoegde schuldenaar. Tegenover deze schuld staat, aan de actieve zijde van deze ene rechtsbetrekking, de schuldeiser met zijn vorderingsrecht, die nakoming verlangt.11 In het gebruikte voorbeeld is dit vorderingsrecht de door A van B gevorderde nakoming van de verplichting tot betaling van de koopprijs voor de machine. Dit kan schematisch als volgt worden weergegeven:
De schuldenaar schort de van hem verlangde nakoming op, omdat hij, in de woorden van artikel 6:52 lid 1 BW, ‘een opeisbare vordering heeft op zijn schuldeiser’. Met deze vordering wordt het vorderingsrecht van de schuldenaar op zijn schuldeiser bedoeld.12 Deze vordering vloeit voort uit een andere vermogensrechtelijke betrekking tussen de betrokken partijen. Partijen verschieten immers van kleur, in die zin dat de schuldenaar de schuldeiser is bij die rechtsbetrekking en viceversa. In het voorbeeld betreft het vorderingsrecht van de schuldenaar de schadevergoedingsvordering van B op A. A bevindt zich met zijn schuld (schadevergoedingsplicht) aan de passieve zijde van die rechtsbetrekking en B bevindt zich aan de actieve zijde van deze verbintenis in hoedanigheid van schuldeiser die gerechtigd is tot de prestatie.
In het voorbeeld bestaan tussen A en B twee verbintenissen in de zin van een vermogensrechtelijke betrekking: die tot betaling en ontvangst van de koopsom en die tot betaling en ontvangst van schadevergoeding. Deze rechtsbetrekkingen hebben elk een passieve zijde (de betalingsverplichting), die in artikel 6:52 lid 2 BW wordt aangeduid met ‘de verbintenissen over en weer’.13 Het bestaan van verbintenissen over en weer in de betekenis van artikel 6:52 BW betekent het bestaan van ten minste twee passieve zijden van evenzoveel vermogensrechtelijke betrekkingen, uit hoofde waarvan de betrokken partijen elkaars schuldeiser en schuldenaar zijn.