Verbondenheid in het belastingrecht
Einde inhoudsopgave
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/12.2:12.2 Verbondenheid in de bedrijfseconomie, het ondernemingsrecht en het jaarrekeningenrecht
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/12.2
12.2 Verbondenheid in de bedrijfseconomie, het ondernemingsrecht en het jaarrekeningenrecht
Documentgegevens:
Dr. R.N.F. Zuidgeest, datum 20-11-2008
- Datum
20-11-2008
- Auteur
Dr. R.N.F. Zuidgeest
- JCDI
JCDI:ADS602983:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting / Inkomen uit werk en woning (box 1) - niet-winst
Vennootschapsbelasting / Fiscale eenheid
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Voorafgaand aan de beoordeling van fiscale verbondenheidsbegrippen op basis van termen in andere disciplines en rechtsgebieden moet de vraag worden beantwoord of een dergelijke vergelijking geoorloofd is, of dat autonome fiscale begrippen nodig zijn. Dit vraagstuk naar de autonomie van het belastingrecht heeft overigens een algemene strekking en geldt niet alleen voor definities van verbondenheid.
In algemene zin is in de literatuur beschreven dat voor het belastingrecht in beginsel de civielrechtelijke interpretatie van begrippen moet worden gevolgd. Echter, omdat het doel van het civiele recht anders is dan dat van het fiscale recht, is de civielrechtelijke inhoud van een term niet zonder meer van beslissende betekenis. In dit verband is ook de leer van de eenheid van de rechtsorde genoemd: enerzijds moet het belastingrecht worden ingepast in de algemene rechtsorde, maar anderzijds kan de eigen aard van het belastingrecht een zelfstandig begrippenkader rechtvaardigen.
Meer specifiek zijn in de literatuur bezwaren geuit tegen het gebruik van begrippen uit het ondernemingsrecht en het jaarrekeningenrecht in het belastingrecht, omdat elk van deze rechtsgebieden eigen doelstellingen heeft. Deze bezwaren maken mij ervan bewust dat bedachtzaamheid is geboden bij het zoeken naar aangrijpingspunten in andere disciplines en rechtsgebieden. Dit neemt naar mijn mening niet weg dat het ondernemingsrecht en het jaarrekeningenrecht waardevolle inzichten kunnen verschaffen over de wijze waarop verbondenheid in het belastingrecht kan worden omschreven. Naar mijn mening is het niet bezwaarlijk indien de omschrijving van de begrippen in de rechtsgebieden, rekening houdend met verschillen in de aard en functie van regelingen, zouden worden ingevuld op basis van vergelijkbare criteria. De beoordeling of aan deze criteria wordt voldaan kan fiscaal autonoom plaatsvinden. Gelijkluidende of vergelijkbare criteria zouden dan voor de toepassing van het privaatrecht en de belastingheffing een verschillende inhoud kunnen hebben, indien de aard of functie van de desbetreffende regeling dit zou vereisen. Naar mijn mening sluit dit aan bij de leer van de eenheid van de rechtsorde.
In de bedrijfseconomie, het ondernemingsrecht en het jaarrekeningenrecht wordt gelieerdheid met een lichaam uitgelegd aan de hand van organisatorische en economische verbondenheid. De aanwezigheid van een kapitaalbelang, hetgeen duidt op financiële verbondenheid, speelt in deze disciplines slechts een beperkte rol. Zeggenschap verbonden aan een aandelenbelang of lidmaatschap kan niet zonder meer worden gelijkgesteld met organisatorische verbondenheid, omdat het hierbij niet gaat om een rechtstreekse beïnvloeding van het ondernemingsbeleid. Zeggenschap in de ava of ledenvergadering kan de organisatorische verbondenheid wel ondersteunen, maar of daar effectief sprake van is hangt af van het ‘aandeelhoudersactivisme’ c.q. het ‘aandeelhoudersabsenteïsme’.
Het gebruik van materieel-economische criteria in de begrippen in het ondernemingsrecht en het jaarrekeningenrecht kan naar mijn mening worden verklaard op basis van de achtergrond van de desbetreffende regelingen: in het ondernemingsrecht en het jaarrekeningenrecht hebben veel begrippen een operationaliseringsfunctie waarbij zij zijn gericht op een zo volledig en reëel mogelijk inzicht in de financieel-economische situatie van een concernonderneming.
Overigens wordt ten aanzien van sommige begrippen in het ondernemingsrecht en het jaarrekeningenrecht de aanwezigheid van zeggenschap wel beoordeeld op basis van formeel-juridische criteria. Het gaat dan bijvoorbeeld om het kunnen uitoefenen van meer dan de helft van de stemrechten, het benoemen of ontslaan van meer dan de helft van de ondernemingsleiding, of het verschaffen van meer dan de helft van het kapitaal. In zoverre zijn deze begrippen een uiting van financiële verbondenheid. Echter, veelal zijn de formeel-juridische criteria in dit verband bedoeld als een zeggenschapsvermoeden waarbij een tweezijdige tegenbewijsmogelijkheid geldt: indien een onderneming meer dan 50% van de stemrechten van een andere onderneming bezit, kan bijvoorbeeld worden aangetoond dat in feite toch geen sprake is van ‘control’, terwijl bij een bezit van 50% of minder kan worden aangetoond dat er in feite wel zeggenschap wordt uitgeoefend. Hoewel financiële verbondenheid hierbij als uitgangspunt wordt gehanteerd, gaat het daarom uiteindelijk toch om organisatorische verbondenheid.