Einde inhoudsopgave
Scheiding van zeggenschap en belang in de familiesfeer (FM nr. 162) 2020/7.7.3.1
7.7.3.1 Overdracht van certificaten
Mr. dr. A.E. de Leeuw, datum 29-02-2020
- Datum
29-02-2020
- Auteur
Mr. dr. A.E. de Leeuw
- JCDI
JCDI:ADS233002:1
- Vakgebied(en)
Vermogensbelasting (V)
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie hiervoor nader paragraaf 7.8.2.
Artikel 6:142 BW. Deze opsomming is evenwel slechts enuntiatief. Blijkens de parlementaire geschiedenis omvatten ziet artikel 6:142 lid 1 BW mede op de nevenrechten die bij de vordering horen en de inhoud daarvan mede bepalen, zoals een keuzerecht bij een alternatieve verbintenis (C.J. van Zeben en J.W. du Pon (met medewerking van M.M. Olthof), Parlementaire geschiedenis van het nieuwe Burgerlijk Wetboek: boek 6, algemeen gedeelte van het verbintenissenrecht, pagina 531).
Zie Parlementaire geschiedenis BW boek 6, pagina 528. Zie voorts bijvoorbeeld Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-II, 2017/261, J.W.A. Biemans, Rechtsgevolgen van stille cessie, Kluwer Deventer 2011, nr. 739, M.H.E. Rongen, Cessie, Kluwer Deventer, dissertatie 2012, nr. 964 en (onder het oude recht) J. Wiarda, Cessie of overdracht van schuldvorderingen op naam naar Nederlandsch burgerlijk recht, Tjeenk Willink Zwolle 1937, pagina 328, alsmede HR 12 november 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA3370, NJ 2000/222.
Artikel 6:251 BW.
Van den Ingh, dissertatie 1991, pagina 129.
In tegenstelling tot de kwalitatieve verplichtingen met betrekking tot registergoederen van artikel 6:252 BW.
Op grond van artikel 6:142 BW.
Op grond van artikel 6:251 BW.
Zie Parlementaire geschiedenis BW boek 6, pagina 535, alsmede Rongen, dissertatie 2012, nr. 961.
Indien alleen het vorderingsrecht via cessie wordt overgedragen en er gaan daarbij verplichtingen voortvloeiend uit het schuldeiserschap of uit nevenrechten over op de verkrijger, dan staat de oorspronkelijke schuldeiser bovendien in voor de nakoming daarvan (artikel 6:144 lid 1 BW). Indien men kiest voor contractsoverneming kan de oorspronkelijke certificaathouder zich in beginsel echter volledig van de met het certificaat samenhangende verplichtingen bevrijden, hetgeen gezien de vereiste medewerking van diens wederpartij ook aanvaardbaar is.
Zie bijvoorbeeld T.J. Mellema-Kranenburg, Verbintenissenrecht (Groene Serie Privaatrecht), Kluwer Deventer, aantekening 2 bij artikel 6:156 BW.
Denkbaar is in dit verband dat, in geval van kwaliteitseisen aan de certificaathouders in combinatie met een aanbiedingsplicht in het geval van verkrijging (krachtens erfrecht of huwelijksvermogensrecht) door een person die daar niet aan voldoet, de STAK bij voorbaat haar toestemming geeft voor de overdracht van de certificaten aan een persoon die wel aan deze kwaliteitseisen voldoet.
Zie Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-II, 2017/302, waar wordt opgemerkt dat de bevoegdheid tot ontbinding of vernietiging van een overeenkomst waaruit een overgenomen schuld voortspruit uitsluitend toekomt aan de oude schuldenaar, alsmede nr. 309.
Zie bijvoorbeeld Eisma, preadvies 1990, pagina 63, Van den Ingh, dissertatie 1991, pagina 128, Asser/Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II*, 2009/661 en S.B. Garcia Nelen en C.A. Schwarz, Certificering van aandelen bij NV en BV, Sdu Den Haag 2016, pagina 86.
Vegter, preadvies 2004, pagina 117.
Vergelijk in dit verband J.H. Beekhuis, in Liber Amoricum Jan Ronse: Nieuwe vormen van economische eigendom in Nederlands recht, E. Story-Scientia Gent 1986, paragraaf 7, waar hij opmerkt dat de overdracht van economische eigendom dient te geschieden door middel van contractsoverneming (en wellicht zelfs geen andere wijze van overdracht mogelijk is), omdat bij cessie rechten en verplichtingen verdeeld raken over de economisch eigenaar en de cessionaris. Ook Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV, nr. 2013/581, refereert aan overdracht door middel van contractsoverneming. Vergelijk ten slotte W.G. Huijgen, Economische eigendom, W.E.J. Tjeenk Willink Zwolle 1995, paragraaf 7. Hetzelfde principe is mijns inziens toepasbaar bij certificering, hetgeen in principe een vorm van economische eigendom is (zie ook De Leeuw 2018).
Artikel 3:93 jo 3:90 BW. In geval van een orderpapier is ook een endossement vereist.
Een certificaat belichaamt primair het vorderingsrecht van de certificaathouder jegens de STAK, diens aanspraak op (de waarde van) het gecertificeerde vermogen, alsmede de vruchten van dat vermogen. Daarnaast kan de certificaathouder verplichtingen hebben, alsmede andere rechten, die zowel kunnen voortvloeien uit de administratievoorwaarden, als uit de statuten van de STAK.1 Deze rechten omvatten mede de bevoegdheid tot het royeren van de certificaten, voor zover die aan de certificaathouder is toegekend. De (mogelijk) met het certificaat samenhangende soorten rechten en verplichtingen kunnen als volgt worden opgesomd:
(kern)vorderingen/-rechten, waaronder de aanspraken op het gecertificeerde vermogen en de vruchten daarvan;
(kern)verplichtingen, waaronder de verplichting tot overdracht van het gecertificeerde vermogen (welke verplichting in geval van een voorgenomen overdracht van de certificaten reeds door de certificaathouder nagekomen zal zijn);
nevenrechten, zoals rechten van pand en hypotheek of voorrechten2, maar niet rechten die niet verbonden zijn aan de overgedragen vordering, maar aan de gehele rechtsverhouding tussen schuldenaar en oorspronkelijke schuldeiser (in casu de certificaathouder), zoals de bevoegdheid tot opzegging of ontbinding wegens wanprestatie, een recht op aanvullende of vervangende schadevergoeding of de mogelijkheid tot vernietiging van de overeenkomst wegens een wilsgebrek;3
kwalitatieve rechten, oftewel rechten die uit de certificeringsovereenkomst voortvloeien, voor overgang vatbaar zijn en in een zodanig verband staan met (in casu) het vorderingsrecht, dat de schuldeiser slechts belang bij deze rechten heeft zolang hij ook rechthebbende op de vordering blijft;4 met Van den Ingh5 ben ik van mening dat eventuele institutionele rechten, die de certificaathouder jegens de STAK mocht hebben, kwalitatieve rechten zijn, omdat hieraan geen belang toekomt zonder dat men tevens de hoedanigheid van certificaathouder heeft (en in verband met welke hoedanigheid deze rechten ook zijn toegekend);
kwalitatieve verplichtingen in de zin van verplichtingen die voortvloeien uit het schuldeiserschap of uit de daarmee samenhangende nevenrechten.6
De aansprakenkant van het certificaat, het vorderingsrecht jegens de STAK, kan overgedragen worden door middel van cessie. Hiervoor zijn, behoudens stringentere vereisten op grond van de beheersovereenkomst, een onderhandse akte en een (vormvrije) mededeling van de cessie aan de STAK voldoende.7 Bij de cessie gaan met de vordering mee over op de cessionaris: (i) nevenrechten8, (ii) kwalitatieve rechten9, (iii) kwalitatieve verplichtingen10. Derhalve blijft een aantal elementen van de rechtsverhouding tussen STAK en certificaathouder achter bij de certificaathouder:
rechten verbonden aan deze rechtsverhouding als zodanig, in plaats van de vordering, zoals bevoegdheden tot opzegging, ontbinding of vernietiging wegens een wilsgebrek, hetgeen ook betekent dat de bevoegdheid om de certificaten te royeren achterblijft bij de cederende certificaathouder;
verplichtingen die niet voortvloeien uit het schuldeiserschap of de nevenrechten, maar wat verder verwijderd zijn van het overgedragen vorderingsrecht, hetgeen niet zozeer problematisch is voor de cessionaris, noch voor de debitor cessus/STAK,11 maar potentieel wel voor de cedent, aangezien deze (mogelijk) niet bevrijd wordt van alle verplichtingen die hij jegens de STAK heeft.
Zekerheidshalve lijkt het mij derhalve verstandig om het certificaat over te dragen door middel van een contractsoverneming, aangezien daarmee zeker gesteld wordt dat (in principe) de gehele rechtsverhouding van de economisch eigenaar met de juridisch eigenaar overgaat op de overnemer.12 Dit dient zowel het belang van de overdragende certificaathouder, bij wie in geval van contractoverneming geen (kern)verplichtingen achterblijven,13 als het belang van de opvolgende certificaathouder, die in dat geval ook de bevoegdheden verkrijgt, die strekken tot het beëindigen van de rechtsverhouding met de STAK.
Voor contractsoverneming is weliswaar medewerking van de STAK vereist,14 maar aangezien deze bij voorbaat verleend kan worden,15 kan men echter reeds bij het sluiten van de overeenkomst voorsorteren op de mogelijkheid van contractsoverneming. Uiteraard speelt bij de overweging om al dan niet bij voorbaat toestemming te geven voor contractsoverneming een rol wat de achtergrond is van de certificering. Bij certificering uit beschermingsmotieven, waarbij het beperken van de overdraagbaarheid van de certificaten eerder een uitgangspunt zal zijn, is het minder voor de hand liggend om bij voorbaat toestemming te verlenen. Aan de toestemming bij voorbaat kunnen evenwel voorwaarden verbonden worden,16 zodat de STAK deze niet ongeclausuleerd hoeft te verlenen en zij dus in zekere mate kan voorkomen dat overdracht van de certificaten plaatsvindt buiten de kaders van het met de certificering nagestreefde doel.17
Een cessie in combinatie met een schuldoverneming lijkt mij overigens geen werkbaar alternatief voor contractsoverneming, om twee redenen. Allereerst zijn de rechtsgevolgen van cessie plus schuldoverneming tezamen niet gelijk aan die van contractsoverneming, aangezien ook in dit geval de wilsrechten achterblijven.18 Daarnaast geldt ook voor schuldoverneming dat de juridisch eigenaar zijn medewerking moet verlenen aan het overnemen van verplichtingen door de overnemende economisch eigenaar, gezien de door artikel 6:155 BW vereiste toestemming. In termen van te vervullen formaliteiten is dit derhalve geen eenvoudiger route dan contractsoverneming.
Volledigheidshalve zij opgemerkt dat vrij algemeen wordt gesteld dat de wijze van overdracht van een certificaat een cessie is.19 In het bijzonder zij gewezen op de mening van Vegter, die op basis van de veronderstelling dat na overdracht van het te certificeren vermogen aan de STAK geen verplichtingen voor de (overdragende) certificaathouder meer voortvloeien uit de beheersovereenkomst, concludeert dat de STAK na cessie ontslagen is uit zijn rechtsverhouding tot deze certificaathouder. Zijns inziens gaat in dit geval de rechtsverhouding over op de nieuwe certificaathouder zonder dat hiervoor contractsoverneming nodig is, inclusief eventuele hieraan verbonden wilsrecht, zoals de bevoegdheid tot opzegging. Voor het uitsluiten van onzekerheid acht hij contractsoverneming echter toch de beste weg.20 Mede gezien deze onzekerheid lijkt het mij evenwel sterk aan te bevelen om bij de overdracht van certificaten de route van contractsoverneming te volgen. Dan wordt zeker gesteld dat de overnemende certificaathouder in de gehele positie van de overdrager is getreden en dat deze laatste geen band meer met de STAK heeft, welke zekerheid niet bewerkstelligd kan worden door middel van cessie,21 al dan niet in combinatie met schuldoverneming.
Hiervoor ben ik uitgegaan van certificaten op naam, maar certificaten aan toonder of aan order zijn ook mogelijk. Certificaten aan toonder (of aan order) kunnen eenvoudig overgedragen worden doordat de certificaathouder het toonderpapier levert aan de overnemer door het in diens macht te brengen.22 Hierbij geldt echter een vergelijkbaar probleem als bij de cessie van een certificaat op naam: slechts het vorderingsrecht en de daarbij horende nevenrechten worden overgedragen, terwijl het overige deel van de rechtsverhouding achterblijft bij de oorspronkelijke certificaathouder. Een verschil is dat bij overdracht van een certificaat aan toonder of order de overdrager niet hoeft in te staan voor verplichtingen, voortvloeiend uit het schuldeiserschap of de nevenrechten, die overgaan op de verkrijger.23 Daarnaast wordt bij de overdracht van een vordering aan toonder of order de verkrijger beschermd, doordat de schuldenaar, in dit geval dus de STAK, zijn verweermiddelen tegen de overdragende schuldeiser niet tegen de verkrijger kan inroepen, tenzij deze aan de verkrijger bekend waren of kenbaar voor hem uit het toonder- of orderpapier.24