Splitsing in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969
Einde inhoudsopgave
Splitsing in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (FM nr. 171) 2021/2.1:2.1 Het fiscale splitsingsbegrip en de koppeling met het civiele recht
Splitsing in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (FM nr. 171) 2021/2.1
2.1 Het fiscale splitsingsbegrip en de koppeling met het civiele recht
Documentgegevens:
Mr. dr. G.C. van der Burgt, datum 29-11-2021
- Datum
29-11-2021
- Auteur
Mr. dr. G.C. van der Burgt
- JCDI
JCDI:ADS491768:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
In onderdeel 10.2.1 ga ik hier uitgebreider op in.
In onderdeel 1.3 is de beperking tot de splitsing in het Nederlandse civiele recht al onderbouwd.
Zie daarover Geppaart 1965, p. 144-145 en Van de Streek 2008, onderdeel 8.2.1, p. 266-267.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De Nederlandse belastingwetten bevatten geen definitie van het begrip splitsing. De vraag of een rechtshandeling voor de toepassing van de Wet VPB 1969 en de Wet IB 2001 kwalificeert als een splitsing, moet worden beantwoord aan de hand van het civiele recht.1 Het kan daarbij gaan om het Nederlandse of het buitenlandse civiele recht. In de wetsgeschiedenis is hierover (onder meer) het volgende opgemerkt:2
“Indien de (…) juridische splitsing niet plaatsvindt naar Nederlands recht maar naar buitenlands recht zal aan de hand van de in die wetgeving opgenomen vereisten moeten worden beoordeeld of er sprake is van (…) een juridische splitsing. Indien de (…) splitsing voldoet aan de vereisten die naar het buitenlands recht worden gesteld, kan een beroep worden gedaan op de fiscale begeleiding.”
Hoewel ik niet over (actuele) cijfers beschik, verwacht ik dat in de Nederlandse praktijk en vennootschapsbelastingcontext in veruit de meest gevallen sprake zal zijn van splitsingen naar Nederlands civiel recht. Vandaar dit hoofdstuk over de Nederlandse civiele splitsingsregels.3 De koppeling tussen het fiscale en civiele recht kan worden gezien als een uiting van de eenheid van de rechtsorde.4