Einde inhoudsopgave
Beheer van familievermogen door middel van certificering (AN nr. 185) 2024/4.3.1.1.3
4.3.1.1.3 Enkele variaties van beheer in het huidige recht
mr. A.M. Steegmans, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
mr. A.M. Steegmans
- JCDI
JCDI:ADS958046:1
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
In de Parlementaire Geschiedenis bij art. 3:84 lid 3 BW wordt dit voorbeeld door de wetgever genoemd, Parl. Gesch. BW (Inv. 3, 5 en 6) Boek 3 1990, p. 1201. Er is in dat geval geen sprake van een cessie als bedoeld in art. 3:94. Cessie ten titel van incasso is echter ook mogelijk. Zie Biemans 2011, p. 37-40.
Parl. Gesch. BW (Inv. 3, 5 en 6) Boek 3 1990, p. 1201.
Stb. 1999, 190.
Stb. 2001, 70.
Uniken Venema 1990, p. 46 en 47. In de daaropvolgende hoofdstukken IV tot en met IX worden meerdere vormen van beheer verder uitgewerkt. Zie ook Zeijlemaker 1949 voor een beschrijving van de vormen die bestonden voordat het ontwerp voor een nieuw Burgerlijk Wetboek door Meijers was gemaakt. Ten aanzien van de trustee bij obligatieleningen wordt hier ook verwezen naar Rongen 1999, p. 346.
Na de inwerkingtreding van het nieuw Burgerlijk Wetboek in 1992 is de behoefte aan beheer van vermogen onverminderd blijven bestaan. Dit kan onder andere worden afgeleid uit de hoeveelheid literatuur en rechtspraak over beheren van vermogen die voor dit onderzoek is gebruikt en ook uit de interviews in hoofdstuk 2. Dat Titel 3.6 BW tot op heden nog niet is ingevuld lijkt niet op al te grote bezwaren te stuiten. Een argument daarvoor kan zijn gelegen in de bewindtitel die in 2003 is ingevoerd in Boek 4 BW.1 Dat wil echter niet zeggen dat de discussie omtrent rechtsfiguren voor vermogensbeheer is verstomd. Met enige regelmaat wordt bijvoorbeeld nog gepleit voor opheffing van het fiducia verbod.
In paragraaf 4.3.1 werd al kort aangegeven wat met een beheerovereenkomst wordt bedoeld. Het gaat om overeenkomsten die als hoofddoel beheer hebben en waarbij er een scheiding tussen de zeggenschap en het economisch belang plaatsvindt. Wat andere aspecten betreft, zoals wie de juridisch rechthebbende van de te beheren goederen is, is variatie mogelijk. Zo is bij sommige beheerovereenkomsten de economisch belanghebbende tevens de juridisch rechthebbende van de goederen. Dit is bijvoorbeeld bij beheerovereenkomsten die leiden tot een privatieve lastgeving het geval (art. 7:423 BW). Van de privatieve lastgeving kan onder andere bij de cessie ter incasso gebruik worden gemaakt.2 De lasthebber is de machthebber en hij handelt op eigen naam, maar voor rekening van de lastgever. Ook bestaan er beheerovereenkomsten waarbij degene die de zeggenschap over het vermogen heeft de juridisch rechthebbende van de goederen is. Dit is aan de orde bij certificering van vermogen. En dan bestaan er ook nog tussenvormen, zoals bij een beheerovereenkomst in de zin van art. 3:168 lid 1 BW. Alle deelgenoten zijn juridisch rechthebbende van het gezamenlijke goed en tevens economisch belanghebbende, maar op grond van de beheerovereenkomst kan de zeggenschap aan één of meer specifieke deelgenoten toekomen.
Zowel in de Parlementaire Geschiedenis als in de literatuur zijn opsommingen te vinden van vormen van beheer. In de Parlementaire Geschiedenis is bijvoorbeeld een overzicht terug te vinden bij de bespreking van art. 3:84 lid 3 BW. In dit overzicht komen certificering van aandelen, middellijke vertegenwoordiging, bewind, overdracht onder voorbehoud van een beperkt recht en de kwaliteitsrekening aan de orde.3 Voor de kwaliteitsrekening is na de inwerkingtreding van het nieuw Burgerlijk Wetboek in 1992 regelgeving ingevoerd in art. 25 Wet op het Notarisambt (in 1999)4 en art. 19 Gerechtsdeurwaarderswet (in 2001).5 De beheervormen in het overzicht betreffen niet allemaal beheerovereenkomsten, maar soms ook andere varianten van beheerstructuren.
Ook in het preadvies van Uniken Venema en Eisma, getiteld ‘Eigendom ten titel van beheer naar komend recht’, worden meerdere voorbeelden van beheerovereenkomsten gegeven, zoals de belegging en bewaring van effecten, certificering van effecten en de trustfiguur bij uitgifte van obligatieleningen.6