Einde inhoudsopgave
De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer (Verzekeringsrecht) 2010/2.4.3
2.4.3 De le Wam-richtlijn en de overeenkomsten tussen de Bureaus
mr. F.J. Blees, datum 29-04-2010
- Datum
29-04-2010
- Auteur
mr. F.J. Blees
- JCDI
JCDI:ADS397196:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Overweging 8 van de le Richtlijn, Overweging 8 van de Richtlijn van 2009.
Overwegingen 7 van de le Richtlijn, overweging 8 van de Richtlijn (van 2009).
Zie art. 2 lid 2 van de le Richtlijn, art. 2, onder a, van de Richtlijn van 2009.
Als eerste treden de drie nieuwe lidstaten Denemarken, het Verenigd Koninkrijk en Ierland tot de Supplementen}, Agreement toe.
Denemarken kent, zoals in par. 2.3 reeds aan de orde kwam, al sedert de jaren dertig een dergelijke afspraak met de overige Noordse landen en dat maakt het wenselijk het regime uit te breiden tot Noorwegen, Zweden en Finland. Duitsland, Oostenrijk, Hongarije en Tsjecho-Slowakije werken ook reeds op deze basis (zie hiervoor), zodat ook deze laatste drie landen (moeten) toetreden.
Tweede Richtlijn van de Raad van 30 december 1983 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven (84/5/EEG), MEG 1984, L 8/17.
Art. 4 van de 2e Richtlijn.
In 1972 treedt de le Richtlijn in werking. Deze Richtlijn verplicht de lidstaten
"de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van deze (gewoonlijk op het grondgebied van de lidstaten van de EU gestalde, FJB) voertuigen aanleiding kan geven, met een voor het gehele grondgebied van de Gemeenschap geldende dekking; (...)"
in te voeren.1 Als aan deze voorwaarde is voldaan, kunnen de Bureaus van de (toen nog zes) lidstaten een overeenkomst sluiten, volgens welke
"elk nationaal bureau, overeenkomstig de nationale wetgeving, de vergoeding waarborgt van schaden waarvoor recht op vergoeding bestaat en die op zijn grondgebied zijn veroorzaakt door een van deze - al dan niet verzekerde - voertuigen."2
De kern zit in de tussen gedachtestreepjes geplaatste woorden: de Bureaus dienen zich garant te stellen, niet alleen voor verzekerde, maar ook voor niet-verzekerde voertuigen en nemen aldus - voor zover het door uit andere lidstaten van de Europese Gemeenschap afkomstige voertuigen veroorzaakte schade betreft - een met die van een waarborgfonds vergelijkbare functie op zich. De richtlijn stelt het afschaffen van de grenscontroles afhankelijk van het sluiten van een overeenkomst tussen de Bureaus, waarin hun onderlinge regres, ook voor door onverzekerde voertuigen veroorzaakte schade, wordt geregeld.3
De lidstaten moeten uiterlijk op 31 december 1973 hun wetgeving hebben aangepast en de nieuwe regels toepassen.
Het spreekt voor zich, dat de Uniform Agreement, die de groene kaart als voorwaarde voor schaderegeling als uitgangspunt heeft, niet op deze aansprakelijkheden is voorbereid en daarom moeten de betrokken Bureaus een nieuwe overeenkomst sluiten. De bedoelde nieuwe overeenkomst tussen de Bureaus is de Supplementary Agreement, aanvankelijk gesloten tussen de Bureaus van de oorspronkelijke zes lidstaten en al snel uitgebreid tot negen4, terwijl zeer spoedig ook Bureaus van niet-lidstaten toetreden, een mogelijkheid waarin door de Richtlijn uitdrukkelijk is voorzien.5
Als criterium om te bepalen of een voertuig afkomstig is uit een lidstaat (of een daarmee gelijk te stellen derde land) gebruikt de Richtlijn hetzelfde criterium als de Benelux-Overeenkomst: 'gewoonlijk gestald', hetgeen in de praktijk betekent 'geregistreerd', in 1983 bij de 2e Richtlijn6 vervangen door het criterium of het voertuig de kentekenplaat van een lidstaat draagt.7