Einde inhoudsopgave
Personentoetsingen in de financiële sector (O&R nr. 127) 2021/8.4.2
8.4.2 Handelingen in de privésfeer
mr. drs. I. Palm-Steyerberg, datum 01-03-2021
- Datum
01-03-2021
- Auteur
mr. drs. I. Palm-Steyerberg
- JCDI
JCDI:ADS268344:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Europees financieel recht
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
Voetnoten
Voetnoten
Stb. 2006/519, p. 75.
CvB TRB-2016-1. Zie over deze uitspraak P. Laaper & J.W.P.M. van der Velden, ‘Bankentuchtrecht’, in: M. Jurgens en R. Stijnen (red.), Compliance in het financieel toezichtrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 190 e.v. en de annotaties van A. Lenaerts in JOR 2017/202 en van D.J. van Leeuwen in RF 2017/57. Zie over de uitspraak in eerste aanleg (TRB-2016-3536) de annotatie van J. M. Atema en JOR 2017/69.
Ook Laaper en Van der Velden menen dat het oordeel van het College niet anders had moeten luiden als de bankmedewerker het bedrag had ontvangen en overgemaakt op rekeningen bij andere banken dan de bank waar hij werkzaam was; kortom als de genoemde “raakvlakken” met de betrokken bank zouden ontbreken (P. Laaper & J.W.P.M. van der Velden, ‘Twee jaar bankentuchtrecht onder de loep’, FR 2017, afl. 6, p. 275). Voorts kan ook het tuchtrecht voor accountants, artsen en advocaten, onder bepaalde voorwaarden, betrekking hebben op privé-handelingen. Zie art. 42, eerste lid onder b Wet op het accountantsberoep en art. 3, eerste lid Verordening gedrags- en beroepsregels accountants, art. 47, eerste lid onder b Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg en, voor wat betreft de advocatuur, bijvoorbeeld de uitspraak van het Hof van Discipline 30 januari 2015 (ECLI:NL:TAHVD:2015:32): “Maar ook wanneer een advocaat optreedt in een andere hoedanigheid dan die van advocaat – zoals hier: in privéhoedanigheid –, blijft voor hem het advocatentuchtrecht gelden. Indien hij zich bij de vervulling van die andere functie zodanig gedraagt dat daardoor het vertrouwen in de advocatuur wordt geschaad, zal in het algemeen sprake zijn van handelen of nalaten in strijd met hetgeen een behoorlijk advocaat betaamt waarvan hem een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.” Het Hof oordeelde dat het veroorzaken van een ernstig auto-ongeluk onder invloed van (veel) alcohol schrapping van het tableau rechtvaardigt.
Anders echter, bijvoorbeeld, TRB-2019-3969.
Zie https://www.tuchtrechtbanken.nl/de-bankierseed: “Ik zweer/beloof binnen de grenzen van mijn functie die ik op enig moment in de bancaire sector vervul: (volgt: de tekst van de eed)”.
Het betreft hier niet de wettelijk verplicht gestelde tekst van de bankierseed. Uitsluitend de teksten van de bankierseed zoals deze moet worden afgelegd door dagelijks beleidsbepalers, interne toezichthouders en leden van het tweede echelon zijn wettelijk letterlijk voorgeschreven, maar hierin komt de genoemde begrenzing niet voor. De tekst van de eed zoals deze door de overige medewerkers dient te worden afgelegd is niet wettelijk voorgeschreven, maar dient wel een vijftal inhoudelijke elementen te bevatten (zie art. 2, derde lid en Bijlage 1 en 2 Regeling Bankierseed). Geen van deze elementen beperkt de eed tot handelingen binnen de grenzen van de functie.
Voor het uitvoeren van de betrouwbaarheidstoets geldt dat bepaalde privé-gedragingen steeds zullen moeten worden meegewogen. Voorbeelden zijn veroordelingen wegens marktmisbruik, valsheid in geschrifte, diefstal, verduistering, witwassen, moord, mishandeling, bedrog, vernieling, handel in (soft of hard)drugs, doorrijden na een ongeval, rijden onder invloed, joyrijden, etc. Ook het (opzettelijk) doen van valse belastingaangifte, privé-faillissementen en persoonlijk betalingsgedrag is van belang.1 Daarbij geldt uiteraard dat een gedraging die geen direct verband houdt met de financiële sector in het algemeen minder verstrekkende consequenties zal hebben voor de uitkomst van de toets.2
In het tuchtrecht ligt dit anders. Hier lijkt sinds de uitspraak van de Commissie van Beroep van 15 maart 2017 de lijn te worden gevolgd dat “zuivere” privé-handelingen in beginsel buiten het bereik van het bancaire tuchtrecht vallen, in tegenstelling tot handelen dat zich volledig afspeelt binnen de uitoefening van de functie. Is er echter sprake van voldoende “raakvlakken” met de bank, dan lijken ook privéhandelingen tuchtrechtelijk te kunnen worden getoetst.3 Dergelijke raakvlakken zijn bijvoorbeeld aanwezig wanneer gebruik is gemaakt van rekeningen van de bank, of wanneer de gedupeerde een klant is van de bank.
In de betreffende zaak had een bankmedewerker getracht om zich via diverse overboekingen gelden toe te eigenen waarvan hij wist dat deze niet voor hem bestemd waren. De Commissie van Beroep oordeelde dat in hoofdzaak sprake was van gedragingen die zich buiten de eigenlijke uitoefening van de functie hebben afgespeeld. De raakvlakken met de bank (de gelden waren afkomstig van een klant van de bank, er was gebruik gemaakt van rekeningen bij de bank, betrokkene had zijn medewerking geweigerd aan intern onderzoek van de bank) maken echter dat de handelingen (toch) vallen onder de reikwijdte van de Gedragsregels. Daarbij overwoog de tuchtrechter dat bankmedewerkers, en zeker ook degenen met frequente klantencontacten, in hun persoonlijke betalingsverkeer, in hun “omgang met geld van een ander”, integer en zorgvuldig dienen te zijn. Als klanten van de bank zouden weten dat degene die hen namens de bank adviseert niet aan deze eis voldoet, zullen zij contacten met de betrokkenen in de uitoefening van diens functie bij de bank willen vermijden.
Deze uitkomst lijkt mij zonder meer aanvaardbaar. Wel kan uit de uitspraak worden afgeleid dat er een categorie privé-handelingen bestaat die wel tot een negatief betrouwbaarheidsoordeel kan leiden (zoals verzekeringsfraude, uitkeringsfraude, verduistering van de gelden van de voetbalvereniging waar iemand penningmeester is), maar, wanneer de genoemde raakvlakken met de bank ontbreken, waarschijnlijk niet tot een tuchtrechtelijke veroordeling. De toezichthouder kan hier wél optreden, terwijl de de tuchtrechter zich hier niet bevoegd acht.
Deze tuchtrechtelijke “raakvlakken-doctrine” roept overigens wel vragen op. Is bijvoorbeeld fraude, oplichting of verduistering niet tuchtrechtelijk laakbaar, zolang de slachtoffers maar bankieren bij een andere bank dan die waar de betrokken bankmedewerker werkzaam is en de geldstromen eveneens lopen via een andere bank? Dat lijkt mij toch niet de bedoeling. Beter zou het zijn, in mijn opinie, dat de tuchtrechter aansluiting zou zoeken bij de regels en integriteits- en zorgvuldigheidsnormen die voortvloeien uit art. 3:10 en 3:17 Wft. Art. 3:17c van de Wft verbindt het tuchtrecht immers aan de naleving van deze regels en normen (zie paragraaf 8.3.1). Relevant is dat deze integriteits- en zorgvuldigheidsnormen zich ook kunnen uitstrekken tot privéhandelingen. Zo dient het integriteitsbeleid er onder meer op te zien dat bankmedewerkers geen strafbare feiten of andere wetsovertredingen begaan die het vertrouwen in de bank of in de financiële markten kunnen schaden.4 Dit kunnen ook privé-overtredingen zijn. Ook dient het integriteitsbeleid er toe om onmiskenbare schendingen van de maatschappelijke norm te voorkomen, die als zodanig geen wetsovertreding opleveren maar die het vertrouwen in de financiële onderneming of in de financiële markten ernstig kunnen schaden.5 Deze schendingen kunnen in beginsel eveneens in de privésfeer plaatsvinden.
Toetssteen is dan niet zozeer of gebruik is gemaakt van rekeningen of faciliteiten van de bank of dat anderszins sprake is van raakvlakken met de bank in de door het College bedoelde zin, maar of het genoemde vertrouwen (ernstig) geschaad kan zijn.6 Of hiervan sprake is zal afhangen van onder meer de ernst van de overtreding en de persoon die de overtreding heeft gepleegd. Bij een veroordeling wegens handel met voorwetenschap of witwassen zal dit bijvoorbeeld eerder het geval zijn dan bij rijden door rood licht. Bij “gezichtsbepalende personen”, zoals medewerkers met klantcontact, hogere leidinggevenden, bestuurders en commissarissen zal het vertrouwen waarschijnlijk eerder worden geschaad.
De Gedragsregels bieden mijns inziens voldoende ruimte voor deze wijze van beoordeling. Hoewel Gedragsregel 4 bepaalt dat de bankmedewerker zich (slechts) dient te houden aan de wet en andere regels die gelden “voor het werk bij de bank”, hoeft deze beperkte formulering geen probleem te zijn. Heeft een medewerker buiten het werk een wetsovertreding gepleegd waardoor het vertrouwen in de bank en/of de financiële markten is geschaad, dan zouden Gedragsregel 1 (“de bankmedewerker werkt integer en zorgvuldig”) en/of 7 (“de bankmedewerker draagt bij aan het vertrouwen van de samenleving in de bank”) namelijk alsnog kunnen leiden tot de vaststelling dat tuchtrechtelijk verwijtbaar is gehandeld. Het zou desalniettemin aanbeveling verdienen om, ter voorkoming van verwarring, deze Gedragsregel aan te passen.
Ook hoeft de tuchtrechter mijns inziens niet teveel waarde te hechten aan de woorden “binnen de grenzen van mijn functie”,7 zoals staat opgenomen in de aanhef van de bankierseed zoals deze is gepubliceerd op de website van de STB.8 Deze zinsnede en de daarin besloten beperking tot handelingen binnen de grenzen van de functie ziet uitsluitend op deze voorbeeld-eed en niet op de Gedragsregels.9 En zoals wij zagen in paragraaf 8.2.5 wordt in de tuchtrechtelijke procedure niet getoetst of de bankierseed is nageleefd, maar of de betrokken bankmedewerker de Gedragsregels heeft overtreden.