Einde inhoudsopgave
Personentoetsingen in de financiële sector (O&R nr. 127) 2021/8.4.1
8.4.1 Raakvlakken tuchtrecht en betrouwbaarheidstoets
mr. drs. I. Palm-Steyerberg, datum 01-03-2021
- Datum
01-03-2021
- Auteur
mr. drs. I. Palm-Steyerberg
- JCDI
JCDI:ADS268473:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Europees financieel recht
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
Voetnoten
Voetnoten
Art. 3:9, eerste lid, Wft, nader uitgewerkt in Bpr Wft en Bijlage A. Zie ook hoofdstuk 8 van de Richtsnoeren van EBA en ESMA 2017. De ECB oefent het bankentoezicht uit op basis van het (in de nationale wetgeving geïmplementeerde) relevante Unierecht, en genoemde betrouwbaarheidsregelgeving moet beschouwd worden als de implementatie van art. 91 van de CRD IV. De CRD V brengt op dit punt geen wijzigingen. De ECB voert de betrouwbaarheidstoets bij de onder haar toezicht staande Nederlandse banken dus uit op basis van dezelfde wet- en regelgeving als de Nederlandse toezichthouders. Zie ook hoofdstuk 7, par. 7.2.2.
Art. 33 Bpr Wft. Bij significante banken(groepen), zoals ING of ABN AMRO, worden de besluiten over betrouwbaarheid en geschiktheid genomen door de ECB. Dit geldt ook voor besluiten over betrouwbaarheid en geschiktheid die, bij alle banken, worden genomen bij vergunningverlening en bij de afgifte van een verklaring van geen bezwaar, zie art. 4, eerste lid sub a en art. 6, vierde lid en art. 14 SSM-Verordening en art. 4, eerste lid sub c en art. 6, vierde lid en art. 15 SSM-Verordening. De toetsingen bij minder significante banken worden uitgevoerd door DNB, die hierbij nauw samenwerkt met de AFM. Zie onder meer art. 1:47c en 1:49 Wft. Overigens werken DNB en de AFM ook samen bij toetsingen bij significante banken, zie ook https://www.toezicht.dnb.nl/4/2/16/50-235979.jsp en hoofdstuk 2, par. 2.3.
Zie hoofdstuk 2, par. 2.2.1.
Hoewel positief geformuleerd, is het tuchtrecht vooral bedoeld om onethisch, ongewenst gedrag te sanctioneren; het tuchtrecht dient vooral de buitengrenzen te bewaken (zie J.E. Soeharno, ‘Tuchtrecht en de wens tot integere bankiers. Een kritische beschouwing’, FR 2014, afl. 6, p. 250).
Gedragsregel 7 lijkt overigens ruimer geformuleerd dan de uit de Wft voortvloeiende integriteits- en zorgvuldigheidsnormen vereisen. Ook is deze formulering ruimer dan de bepalingen in de betrouwbaarheidsregelgeving.
J.E. Soeharno, ‘Tuchtrecht en de wens tot integere bankiers. Een kritische beschouwing’, FR 2014, afl. 6, p. 250.
CBb 29 april 2004, ECLI:NL:CBB:2004:AO8939 en ECLI:NL:CBB:2004:AO9910.
De Wft bepaalt dat de betrouwbaarheid van beleidsbepalers, interne toezichthouders en leden van het tweede echelon bij banken buiten twijfel dient te staan.1 Of dit zo is dient door de toezichthouders te worden vastgesteld.2 Doel van de betrouwbaarheidseis is de borging van de integriteit van en het vertrouwen in de financiële markten. De beoordeling van de betrouwbaarheid richt zich op feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat het vertoonde gedrag van betrokkene niet in overeenstemming is met een integere invulling en uitoefening van de functie. Voorbeelden van dergelijke feiten en omstandigheden zijn: niet de waarheid spreken, geen openheid geven over voor het toezicht relevante onderwerpen, niet discreet omgaan met vertrouwelijke informatie, zich niet houden aan afspraken, en het op een onverantwoordelijke wijze optreden in de beroepsuitoefening.3
Genoemde gedragingen komen in vergelijkbare bewoordingen, maar positief geformuleerd,4 terug in de Gedragsregels. Vergelijk “de bankmedewerker werkt integer en zorgvuldig”, “de bankmedewerker houdt vertrouwelijke informatie geheim”, “de bankmedewerker is open en eerlijk over zijn of haar gedrag en kent zijn of haar verantwoordelijkheid voor de samenleving” en: “de bankmedewerker draagt bij aan het vertrouwen van de samenleving in de bank” (Gedragsregel 1, 5, 6 en 7).5
De betrouwbaarheidstoets wordt uitgevoerd aan de hand van een beoordeling van in ieder geval de strafrechtelijke, financiële, fiscale en toezichtantecedenten opgesomd in Bijlage A bij art. 6 van het Bpr Wft. Hier liggen raakvlakken met genoemde Gedragsregel 1 en 7 en met Gedragsregel 4: “de bankmedewerker houdt zich aan de wet en andere regels die voor het werk bij de bank gelden”.
Tot slot kunnen Gedragsregels 2 en 3, welke zien op een zorgvuldige afweging van belangen en het centraal stellen van de belangen van de klant, overlappen met voor de betrouwbaarheidstoetsing relevante toezichtantecedenten zoals overtreding van bepaalde gedragsregels neergelegd in Deel 4 van de Wft.6
Uit bovenstaande kan worden geconcludeerd dat de kernwaarden in de Gedragsregels, zoals integriteit, zorgvuldigheid, betrouwbaarheid, openheid en eerlijkheid,7 in feite dezelfde zijn als bij de betrouwbaarheidstoets. De overlappende normen maken situaties voorstelbaar waarin zowel de tuchtrechter als de toezichthouder zouden kunnen optreden. Bijvoorbeeld wanneer er sprake zou zijn van fraude bij de uitoefening van de functie, het wegsluizen van gelden die de bank toebehoren of het belemmeren van (toezicht-)onderzoeken. Daarbij zal de toezichthouder zich bij de handhaving richten tot de betrokken bank, bijvoorbeeld door het geven van een aanwijzing tot “heenzending” van de betrokken persoon (zoals een bestuurder of commissaris). De Wft legt de verplichtingen in het kader van de betrouwbaarheid en de geschiktheid op aan de bank, en niet aan de te toetsen persoon. De (af)getoetste persoon wordt door een dergelijke besluit echter wel rechtstreeks in zijn belangen geraakt. Hij of zij wordt dan ook aangemerkt als belanghebbende bij het toetsingsbesluit in de zin van art. 1:2 Awb.8