Einde inhoudsopgave
Verbod en evenredigheid in het intellectuele-eigendomsrecht (O&R nr. 150) 2024/5.3.2.1
5.3.2.1 UPC Telekabel
mr. P. Teunissen, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
mr. P. Teunissen
- JCDI
JCDI:ADS955459:1
- Vakgebied(en)
Intellectuele-eigendomsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
§81, lid 1a UrhG. Of het resultaat daadwerkelijk kan worden voorkomen en of het verbod in overeenstemming is met in het geding zijnde grondrechten, wordt bij het uitvaardigen van het verbod niet onderzocht. Dit vraagstuk komt pas aan de orde als een overtreding van het verbod is vastgesteld en in het kader van een executieprocedure wordt verzocht tot oplegging van een dwangmaatregel. Zie over deze systematiek kritisch concl. A-G P. Cruz Villalón, ECLI:EU:C:2013:781, bij HvJ EU 27 maart 2014, C-314/12 (UPC Telekabel), pt. 69.
HvJ EU 27 maart 2014, C-314/12, ECLI:EU:C:2014:192 (UPC Telekabel), rov. 13-16.
HvJ EU 27 maart 2014, C-314/12, ECLI:EU:C:2014:192 (UPC Telekabel), rov. 47.
HvJ EU 27 maart 2014, C-314/12, ECLI:EU:C:2014:192 (UPC Telekabel), rov. 51-53.
Concl. A-G P. Cruz Villalón bij HvJ EU 27 maart 2014, C-314/12, ECLI:EU:C:2014:192 (UPC Telekabel), pt. 87-88. Zie ook C. Mak, annotatie bij: HvJ EU 27 maart 2014, C-314/12, EHRC 2014/138 (UPC Telekabel), pt. 3; Chavannes, AMI 2015, afl. 2, p. 44.
HvJ EU 27 maart 2014, C-314/12, ECLI:EU:C:2014:192 (UPC Telekabel), rov. 55.
HvJ EU 27 maart 2014, C-314/12, ECLI:EU:C:2014:192 (UPC Telekabel), rov. 63.
HvJ EU 27 maart 2014, C-314/12, ECLI:EU:C:2014:192 (UPC Telekabel), rov. 62-63.
De Nederlandse versie van het arrest bevat een onzuivere vertaling van de originele bewoordingen (‘seriously discourage’); zie S. Kulk, annotatie bij: HvJ EU 27 maart 2014, C-314/12, IER 2014/45 (UPC Telekabel).
HvJ EU 27 maart 2014, C-314/12, ECLI:EU:C:2014:192 (UPC Telekabel), rov. 62-63.
HvJ EU 27 maart 2014, C-314/12, ECLI:EU:C:2014:192 (UPC Telekabel), rov. 55-56. De Nederlandse vertaling (‘dermate doelgericht’) is ongelukkig, gelet op de originele taalversies (‘strictly targeted’ en ‘strictement cibles’).
HvJ EU 27 maart 2014, C-314/12, ECLI:EU:C:2014:192 (UPC Telekabel), rov. 57.
EHRM 11 maart 2014, nr. 20877/10, ECLI:CE:ECHR:2014:0311DEC002087710 (Akdeniz/Turkije), rov. 28. Zie ook EHRM 18 december 2012, nr. 3111/10, ECLI:CE:ECHR:2012:1218JUD000311110 (Yildirim/Turkije), rov. 46. Opmerking verdient dat de overwegingen van het EHRM betrekking hebben op het vereiste van een wettelijke grondslag en niet op het noodzakelijkheidsvereiste.
HvJ EU 27 maart 2014, C-314/12, ECLI:EU:C:2014:192 (UPC Telekabel), rov. 63.
De zaak UPC Telekabel draaide om twee filmproducenten, Constantin Film Verleih GmbH en Wega Filmproduktionsgesellschaft GmbH, die bij de rechter vorderden dat UPC Telekabel zou worden bevolen de website kino.to te blokkeren. Op deze website bevond zich een grote hoeveelheid auteursrechtelijk beschermde werken. Naar Oostenrijks recht kon de rechter aan UPC Telekabel alleen een resultaatsverbintenis (Erfolgsverbot) opleggen om haar klanten de toegang tot de litigieuze website te ontzeggen.1 Het stond de tussenpersoon daarbij vrij om zelf de meest geëigende maatregel vast te stellen.2 In de procedure bij het Hof van Justitie kwam de vraag aan de orde of een dergelijk bevel verenigbaar was met het Unierecht. Het Hof overwoog in dit verband dat de betreffende resultaatsverplichting verschillende grondrechten kon raken. In de eerste plaats was er het conflict tussen het recht op bescherming van de intellectuele eigendom van de filmproducenten (art. 17 lid 2 Handvest) en de vrijheid van ondernemerschap van UPC Telekabel (art. 16 Handvest). In de tweede plaats kon het voornoemde recht op bescherming van de intellectuele eigendom botsen met de vrijheid van informatie van internetgebruikers (art. 11 Handvest).3
De afweging tussen het recht op intellectuele eigendom van de filmproducenten en de vrijheid van ondernemerschap van UPC Telekabel viel uit in het voordeel van de filmproducenten. Het Hof achtte daarbij doorslaggevend dat het Erfolgsverbot de ISP in staat stelde om zelf te bepalen welke concrete maatregelen nodig zouden zijn om het beoogde resultaat te bereiken en welke maatregel het beste zou passen bij zijn bedrijfsuitoefening. Bovendien kon de tussenpersoon aan het bevel ontsnappen door aan te tonen dat hij alle redelijke maatregelen heeft genomen om inbreuken te voorkomen. Onder deze omstandigheden werd naar het oordeel van het Hof de vrijheid van ondernemerschap niet wezenlijk aangetast, zodat een rechtvaardig evenwicht bereikt was. 4 Het oordeel van het Hof verschilt op dit punt van de conclusie van advocaat-generaal Cruz Villalón, die had betoogd dat het evenwicht tussen grondrechten in de toewijzingsfase van het verbod moest worden vastgesteld. Volgens de advocaat-generaal zou een (ex post) afweging van grondrechten in een executieprocedure in strijd zijn met het vereiste evenwicht tussen de betrokken grondrechten.5 Onder verwijzing naar het rechtszekerheidsbeginsel achtte het Hof evenwel voldoende dat de tussenpersoon de rechtmatigheid van een uitvoeringsmaatregel aan de rechter kon voorleggen.
Met betrekking tot de afweging tussen het recht op intellectuele eigendom van de filmproducenten en de vrijheid van informatie van internetgebruikers overwoog het Hof allereerst dat de tussenpersoon er zelf voor moest zorgen dat dit grondrecht zou worden gerespecteerd.6 Vervolgens legde het Hof de voorwaarde van een rechtvaardig evenwicht uit in het licht van het evenredigheidsbeginsel uit art. 52, lid 1 in fine Handvest.7 Uit deze bepaling leidde het Hof twee voorwaarden af die de nationale rechter in acht moet nemen bij de vormgeving van een blokkeringsmaatregel. Ten eerste moet de gekozen maatregel voldoende doeltreffend zijn om een effectieve bescherming van het grondrecht op bescherming van intellectuele eigendom te verzekeren.8 Dit is het geval als de maatregel tot gevolg heeft dat ongeautoriseerde toegang tot beschermd materiaal wordt verhinderd of minstens bemoeilijkt, dan wel als hij gebruikers van de internetdiensten ernstig ontmoedigt9 om zich zonder toestemming van de rechthebbende toegang te verschaffen.10 Ten tweede moet de maatregel strikt doelgericht zijn, wat betekent dat hij bijdraagt aan het beëindigen van de inbreuk, zonder nadelige gevolgen voor de internetgebruikers die gebruikmaken van de diensten van de internetprovider om op rechtmatige wijze toegang te krijgen tot informatie.11 Bovendien moeten internetgebruikers de mogelijkheid hebben hun rechten te laten gelden nadat de door de internetprovider genomen uitvoeringsmaatregelen bekend zijn.12 Deze processuele waarborg lijkt geïnspireerd door het arrest Akdeniz, waarin het EHRM overwoog dat voor een rechtmatig blokkeringsbevel een duidelijk juridisch kader is vereist en dat internetgebruikers effectieve rechtsmiddelen tot hun beschikking moeten hebben om het bevel aan te vechten.13 Wat de uiteindelijke belangenafweging betreft, beperkte het Hof zich tot de overweging dat de betrokken maatregel niet onverenigbaar was met het vereiste rechtvaardig evenwicht tussen het grondrecht op bescherming van intellectuele eigendom en de grondrechten op vrijheid van ondernemerschap en vrijheid van informatie. Deze summiere belangenafweging valt te begrijpen, nu een resultaatsverbintenis zich naar haar aard niet leent voor een concrete toetsing.14