Administratieplicht en aansprakelijkheid voor het boedeltekort
Einde inhoudsopgave
Administratieplicht en aansprakelijkheid voor het boedeltekort (O&R nr. 115) 2019/7.4.6:7.4.6 Afleggen van verantwoording aan de curator
Administratieplicht en aansprakelijkheid voor het boedeltekort (O&R nr. 115) 2019/7.4.6
7.4.6 Afleggen van verantwoording aan de curator
Documentgegevens:
mr. drs. C.M. Harmsen , datum 01-07-2019
- Datum
01-07-2019
- Auteur
mr. drs. C.M. Harmsen
- JCDI
JCDI:ADS180146:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 21 november 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:5169, Rechtbank Maastricht 19 januari 1995, ECLI:NL:RBMAA:1995:AD2285, NJ 1996, 30, Rechtbank Zutphen 21 december 2012, ECLI:NL:RBZUT:2012:BY7760, Rechtbank Overijssel 14 april 2014, ECLI:NL:RBOVE:2014:2255 en Rechtbank Midden-Nederland 22 september 2014, ECLI:NL:RBMNE:2014:7358.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In het geval van een faillissement krijgt het afleggen van verantwoording door het bestuur een extra dimensie. In dat geval dient verantwoording over de oorzaken van het faillissement te worden afgelegd aan de curator.1 Dat geldt zowel voor het bestuur van een rechtspersoon als voor degene die een bedrijf of zelfstandig een beroep uitoefent.
Anders dan de natuurlijk persoon die een bedrijf of zelfstandig een beroep uitoefent en sowieso verhaalsaansprakelijk is met zijn eigen vermogen, is het voor een bestuurder van een rechtspersoon van groot belang om met behulp van de administratie te kunnen onderbouwen dat de administratie aan de daaraan door de wet gestelde eisen voldoet en/of dat het kennelijk onbehoorlijk bestuur geen belangrijke oorzaak van het faillissement is. Zonder adequate administratie is dit feitelijk onmogelijk en wordt de bestuurder – ondanks de rechtspersoonlijkheid – in beginsel ook in privé verhaalsaansprakelijk voor de schulden van de rechtspersoon. Wanneer er geen of geen adequate administratie is, wordt het voor de curator moeilijk om zich een oordeel te vormen over de oorzaken van het faillissement en de rol van het bestuur daarbij. Dit verklaart dat de wet aan de afwezigheid van een – adequate – administratie het gevolg verbindt dat het bestuur zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld en wordt vermoed dat dit kennelijk onbehoorlijk bestuur een belangrijke oorzaak van het faillissement is.