Einde inhoudsopgave
Antichresis en pandgebruik (O&R nr. 125) 2021/3.3.9
3.3.9 Uitoefening van het recht van pandgebruik tijdens verzuim
mr. R. Bobbink, datum 01-02-2021
- Datum
01-02-2021
- Auteur
mr. R. Bobbink
- JCDI
JCDI:ADS264482:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Genotsrechten
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Negusantius, De pignoribus et hypothecis, nr. 6.1.1-6.1.5; Donellus, De Pignoribus et hypothecis, nr. 10.1-10.2.
Negusantius, De pignoribus et hypothecis, nr. 4.1.9-4.1.29 en 8.1.53.
Accursius, Glossa Ordinaria, Digestum Vetus, p. 1885-1886 (ad D. 20,1,1,3); Bartolus, Super secunda digesti veteris, ad D. 20,1,1,3.
Negusantius, De pignoribus et hypothecis, nr. 6.1.1-6.1.5; Donellus, De Pignoribus et hypothecis, nr. 10.1-10.2; Heusler 1886, p. 140-141 en 204-205.
Zie §3.2.3 §3.3.2.
Brühwiler 1984a, p. 686; Heusler 1886, p. 204-205; Landwehr 1967, p. 371-372; Génestal 1901, p. 43-44, p. 49-50, p. 61-62, p.72-73; Planitz 1982, p. 52 en 144-147. Over de (on)geldigheid van het vervalpand in het ius commune zie Accursius, Glossa Ordinaria, Codex Justinianus, p. 2157-2160 (ad C. 8,34(33)); Bartolus, In secundam codicis partem, ad C. 8,34(33); Donellus, De Pignoribus et hypothecis, nr. 11.1-11.5; Donellus, Commentariorum in Codicem Justiniani III, p. 1277-1280 (ad C. 8,34(33)). Voor een moderne analyse van het vervalpland in het ius commune zie Verhagen 2009, p. 88-113; Verhagen 2011, p. 109-144.
Génestal 1901, p. 37-38 en 46.
Accursius, Glossa Ordinaria, Digestum Vetus, p. 1394 (ad D. 13,7,6); Bartolus, Super secunda digesti veteris, ad D. 13,7,6.
Génestal 1901, p. 50-53; Landwehr 1967, p. 377-385; Planitz 1982, p. 36-37, 58-60.
Landwehr 1967, p. 327-330, 337, 371-372 en 379-385. Vgl. Heirbaut 2000, p. 197.
Bary, Laugs & Wientjes 1984, p. 25-26.
Zie §3.2.3.
Landwehr 1967, p. 337, 371-372 en 379-385; Planitz 1982, p. 36-37; Heirbaut 2000, p. 198.
Als de pandgever in verzuim kwam met de betaling van de gesecureerde vordering, kreeg de pandhouder in beginsel het recht van parate executie.1 Was voor het intreden van verzuim sprake van een vuistloos pandrecht, dan had de pandhouder (nog) geen recht van pandgebruik. Hij had immers niet het ‘bezit’ van het onderpand. Bij verzuim kon de schuldeiser het zekerheidsobject evenwel in vuistpand nemen op grond van een daartoe strekkend beding in de pandovereenkomst.2 Betrof het een vruchtdragende zaak, dan ontstond van rechtswege een recht van pandgebruik. De pandhouder kon vervolgens tot de executie dit recht van pandgebruik uitoefenen.3 Als al voor verzuim sprake was van een recht van pandgebruik, kon de pandgebruiker zijn recht tot de executie blijven uitoefenen. De hoofdregel was dat executie geschiedde door middel van executoriale verkoop.4 De executoriale verkoop van gangbare objecten van pandgebruik zoals grond, leenrechten en heerlijke rechten was echter problematisch.5 In de inheemse praktijk had de pandgebruiker die over wenste te gaan tot executie daarom twee alternatieven. Ten eerste kon het pandobject vervallen aan de pandhouder.6 Ten tweede kon de pandhouder de gesecureerde vordering aan een derde verkopen en overdragen. Hiermee ging het recht van pandgebruik, dat een aanzienlijke gebruikswaarde kon vertegenwoordigen, door afhankelijkheid mee over op de derde-verkrijger.7
Het intreden van verzuim van de schuldenaar betekende echter niet dat de pandhouder verplicht was om zelf tot executie over te gaan.8 Had de schuldeiser een recht van pandgebruik, dan had hij dus de mogelijkheid om (vooralsnog) van executie af te zien en voort te gaan met de uitoefening van zijn recht van pandgebruik. De pandgebruiker koos vaak voor deze mogelijkheid vanwege de hoge gebruiksopbrengsten die uit het onderpand voortvloeiden.9 Zo konden schuldeisers met een pandrecht op een stad hun recht van pandgebruik soms zo lang uitoefenen, dat de bevolking van de stad vergat wie de eigenlijke heer van die stad was.10 Een voorbeeld hiervan is het pandrecht op de stad Nijmegen. Het pandrecht op de stad kwam tot stand in 1247 en is nooit meer gelost.11 Overigens kon het voorkomen dat de pandgever insolvent was, maar de pandgebruiker niet bevoegd was tot executie omdat de gesecureerde vordering niet-opeisbaar was.12 De pandgebruiker kon dan niet anders dan het recht van pandgebruik tot in de eeuwigheid uitoefenen, of het onderpand kopen van de pandgever.13