De civielrechtelijke inbedding van het besluitenaansprakelijkheidsrecht
Einde inhoudsopgave
De civielrechtelijke inbedding van het besluitenaansprakelijkheidsrecht (O&R nr. 128) 2021/8.3.3:8.3.3 Tussenconclusie begunstigende besluiten op aanvraag
De civielrechtelijke inbedding van het besluitenaansprakelijkheidsrecht (O&R nr. 128) 2021/8.3.3
8.3.3 Tussenconclusie begunstigende besluiten op aanvraag
Documentgegevens:
mr. P.A. Fruytier, datum 01-06-2021
- Datum
01-06-2021
- Auteur
mr. P.A. Fruytier
- JCDI
JCDI:ADS284535:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Overheid en privaatrecht
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
644. In deze paragraaf onderzocht ik hoe het driestapsmodel uitwerkt bij begunstigende besluiten op aanvraag. We zagen dat de tot ongeldigheid van het besluit leidende bestuursrechtelijke norm veelal niet strekt tot bescherming van de aanvrager. Daarop gebaseerde vorderingen stranden daarom in mijn model in de regel op stap 1. Op de overheid rust steeds jegens de aanvrager ook de door mijn geformuleerde algemene zorgvuldigheidsnorm. Bij de toepassing van het driestapsmodel op die norm is het type begunstigend besluit van belang. Begunstigende besluiten op aanvraag vallen in essentie uiteen in twee groepen:
Besluiten die een vrijstelling verlenen van een algemeen verbod;
Besluiten tot toekenning van een publiekrechtelijk subjectief recht dat niet voorafgegaan wordt door een algemeen verbod.
645. De zorgvuldigheidsnorm strekt in beide gevallen naar haar aard als uitgangspunt enkel tot bescherming van de aanvrager of de materieel begunstigde van het besluit. De norm strekt daarom in beginsel niet tot bescherming van buiten die kring vallende personen.
646. Ten aanzien van besluiten die vrijstelling verlenen voor een algemeen verbod beoogt de norm de aanvrager zo snel als het recht toestaat – dus meteen bij besluit in primo – gebruik laten maken van de mogelijkheden die het besluit wil bieden. Daarom is de strekking van de vergunning relevant. Ten tweede beoogt de norm de aanvrager gebruik te laten maken van diens door het algemeen verbod beperkte rechten binnen de door het besluit te stellen rechtmatige grenzen. Daarom is de strekking van dat ingeperkte recht relevant. Deze gezichtspunten bepalen of kan worden vastgesteld dat de norm duidelijk niet of wel strekt tot bescherming van de gevorderde schade (stap 1 en 2). Geven die gezichtspunten geen antwoord, dan volgt een volledige art. 6:98 BW-toets (stap 3) (§8.3.1).
647. Ten aanzien van besluiten ter toekenning van een publiekrechtelijk subjectief recht beoogt de norm in abstracto (i) zoveel mogelijk te garanderen dat de begunstigde meteen op de aanvraag datgene krijgt waarop het subjectieve publiekrechtelijke recht de aanvrager beoogt aanspraak te geven en (ii) beschermd wordt tegen hetgeen waarvoor het verzochte recht de aanvrager wil behoeden. Dit biedt het raamwerk voor toepassing van stap 1 en 2. Biedt die stappen geen antwoord, dan volgt stap 3 (§8.3.2).
648. Dit model bleek de uitkomst van verschillende (in de literatuur vanwege hun onduidelijkheid bekritiseerde) uitspraken op consistente wijze te verklaren. Het model identificeerde verder waar de rechtspraak van het model afweek. Het model kon volgens mij ook verklaren waarom die afwijking onjuist was.